Appellante is in januari 2018 in dienst getreden en heeft zich eind februari 2018 ziekgemeld. Het UWV stelde bij besluit van februari 2020 het dagloon voor haar IVA-uitkering vast op €36,94, berekend over een referteperiode waarin zij als starter werd aangemerkt vanwege haar startdatum in december 2017 bij een andere werkgever. Appellante maakte bezwaar tegen deze berekening omdat zij meent dat de toepassing van het Dagloonbesluit in haar situatie leidt tot een onevenredig nadelige uitkomst.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het dienstverband bij de tweede werkgever, ook al duurde dit slechts één dag, mee moest worden genomen bij de dagloonvaststelling. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de regeling bewust rekening houdt met meerdere werkhervattingen en dat het dagloon wordt berekend over alle dagloondagen, ook die zonder loon.
Appellante stelde dat de regeling onvoldoende rekening houdt met haar specifieke situatie, waaronder meerdere werkhervattingen en een proefplaatsing van één dag. De Raad oordeelt echter dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die het besluit onredelijk bezwarend maken. De regeling is gebonden en algemeen verbindend, waarbij al een belangenafweging heeft plaatsgevonden. De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de eerdere uitspraak, waarbij appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt.