Verzoeker, geboren in 1995 en sinds 2016 houder van de Nederlandse nationaliteit, is in 2018 onherroepelijk veroordeeld voor het werven van iemand voor gewapende strijd die een terroristisch misdrijf inhoudt. Op grond hiervan heeft de staatssecretaris in april 2024 het Nederlanderschap ingetrokken. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening om schorsing van het besluit te bewerkstelligen.
De voorzieningenrechter overweegt dat de beroepsgronden niet geschikt zijn voor beoordeling in een voorlopige voorziening en dat een belangenafweging moet plaatsvinden. De staatssecretaris benadrukt het belang van de intrekking vanwege de veroordeling en de daarmee verbroken band met Nederland. Verzoeker stelt dat sinds zijn vrijlating in 2018 geen strafbare feiten meer zijn gepleegd, hij een leven heeft opgebouwd in Nederland, en dat het verlies van het Nederlanderschap verstrekkende gevolgen heeft.
De voorzieningenrechter weegt mee dat de veroordeling al in 2018 onherroepelijk werd en dat de staatssecretaris pas in 2024 tot intrekking overging, mede door late informatievoorziening. Ook blijkt uit een reclasseringsrapport dat het recidiverisico laag is en dat verzoeker positief is begeleid. Gezien deze omstandigheden en het grote belang van verzoeker bij het behoud van zijn verblijf, werk, woning en familiecontacten, wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit geschorst tot zes weken na uitspraak op het beroep.