ECLI:NL:RVS:2022:1745
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- A. Kuijer
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens terroristisch misdrijf
Appellant, geboren in Iran en genaturaliseerd tot Nederlander, werd zijn Nederlanderschap ontnomen op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, vanwege een onherroepelijke veroordeling tot 300 dagen gevangenisstraf voor voorbereiding van deelname aan een terroristische organisatie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de intrekking geen punitieve sanctie is en niet in strijd met het ne-bis-in-idem-beginsel. Ook werd geoordeeld dat het onderscheid tussen monopatriden en bipatriden gerechtvaardigd is om staatloosheid te voorkomen. Appellant voerde aan dat de evenredigheidsbeoordeling te restrictief was en dat zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende werden meegewogen, maar de Raad stelde vast dat de staatssecretaris een deugdelijke beoordeling heeft gemaakt, mede gelet op het verlies van het Unieburgerschap.
Verder werd het beroep op artikel 3 EVRM Pro verworpen, omdat appellant niet hoeft terug te keren naar Iran en de asielprocedure nog loopt. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd eveneens afgewezen, omdat de intrekking een gerechtvaardigde inmenging in het privéleven vormt gezien de ernst van het gepleegde misdrijf en de verbreking van de band met Nederland. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap van appellant wegens een terroristisch misdrijf wordt bevestigd.