ECLI:NL:RVS:2023:2093
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens deelname aan terroristische organisatie
Appellant is geboren in Rotterdam en genaturaliseerd tot Nederlander in 1997. De staatssecretaris trok zijn Nederlanderschap in op grond van artikel 14, tweede lid, onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, vanwege een onherroepelijke veroordeling tot vijf jaar gevangenisstraf voor deelname aan een terroristische organisatie, Jabhat-al-Nusra.
Appellant voerde onder meer aan dat de intrekking het ne-bis-in-idembeginsel schendt, het discriminatieverbod overtreedt en dat de evenredigheidsbeoordeling onvoldoende is. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de intrekking een bestuursrechtelijke maatregel is en geen straf, dat het discriminatieverbod niet wordt geschonden omdat het onderscheid tussen monopatriden en bipatriden gerechtvaardigd is, en dat het toetsingskader voor de evenredigheid in overeenstemming is met het Unierecht.
Verder werd vastgesteld dat de intrekking een inmenging vormt in het recht op privéleven (artikel 8 EVRM Pro), maar deze inmenging gerechtvaardigd is gezien de ernst van het misdrijf, de zorgvuldige procedure en de belangenafweging. De Afdeling verwierp ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro en bevestigde het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap wordt bevestigd wegens deelname aan een terroristische organisatie, waarbij de bezwaren van appellant worden verworpen.