Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
[naam], te [woonplaats] , werknemer.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Oost-Brabant
De zaak betreft een geschil over de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte van een werknemer tot 19 september 2025, opgelegd door het UWV aan de werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.
De werknemer meldde zich ziek op 23 september 2022 en deed op 27 juni 2024 een WIA-uitkeringsaanvraag. Het UWV concludeerde dat de werkgever onvoldoende inspanningen had verricht, met name omdat spoor 2 te laat was ingezet en er niet adequaat werd gesolliciteerd naar passend werk. De werkgever betwistte dit en stelde dat de bedrijfsarts geen mogelijkheden zag voor re-integratie tot februari 2024.
De rechtbank oordeelt dat de bedrijfsarts vanaf september 2023 onjuist is uitgegaan van de belastbaarheid van de werknemer en dat er wel degelijk (marginale) arbeidsmogelijkheden waren die in kaart hadden moeten worden gebracht. De onjuiste beoordeling van de bedrijfsarts valt voor rekening en risico van de werkgever. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de loonsanctie.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.