Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3540

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
SHE 25/486
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:32 AwbArt. 2.16 Procesreglement bestuursrecht rechtbankenWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 25 Wet WIAArt. 65 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever

De zaak betreft een geschil over de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte van een werknemer tot 19 september 2025, opgelegd door het UWV aan de werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.

De werknemer meldde zich ziek op 23 september 2022 en deed op 27 juni 2024 een WIA-uitkeringsaanvraag. Het UWV concludeerde dat de werkgever onvoldoende inspanningen had verricht, met name omdat spoor 2 te laat was ingezet en er niet adequaat werd gesolliciteerd naar passend werk. De werkgever betwistte dit en stelde dat de bedrijfsarts geen mogelijkheden zag voor re-integratie tot februari 2024.

De rechtbank oordeelt dat de bedrijfsarts vanaf september 2023 onjuist is uitgegaan van de belastbaarheid van de werknemer en dat er wel degelijk (marginale) arbeidsmogelijkheden waren die in kaart hadden moeten worden gebracht. De onjuiste beoordeling van de bedrijfsarts valt voor rekening en risico van de werkgever. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de loonsanctie.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/486

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. L. Wennekers).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam], te [woonplaats] , werknemer.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres voldoende inspanningen heeft verricht om een werknemer te re-integreren. Volgens het UWV zijn de inspanningen van eiseres onvoldoende geweest en leidt dat tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte tot 19 september 2025. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de loondoorbetalingsverplichting terecht is verlengd.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het UWV op goede gronden heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende waren en van een deugdelijke grond daarvoor geen sprake is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 15 augustus 2024 heeft het UWV geoordeeld dat eiseres niet voldoende heeft gedaan om haar werknemer te re-integreren en besloten dat eiseres het loon van de werknemer moet doorbetalen tot 19 september 2025 (de loonsanctie).
2.1.
Eiseres heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend.
2.3.
De werknemer heeft geen toestemming verleend om eiseres kennis te laten nemen van de stukken die medische gegevens bevatten. De rechtbank heeft daarom bepaald dat kennisneming van die stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van eiseres. [1]
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , werkzaam als Centrale Casemanager ziekteverzuim en re-integratie bij eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. E. Lipman namens het UWV. De werknemer is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
2.5.
Eiseres heeft na de zitting ongevraagd een stuk ingediend. Dit stuk geeft de rechtbank geen aanleiding het onderzoek te heropenen. Het stuk blijft daarom buiten beschouwing. [2]

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de verplichting die het UWV aan eiseres heeft opgelegd om het loon van de werknemer door te betalen tot 19 september 2025. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
Relevante feiten en omstandigheden
4. De werknemer werkte gemiddeld 36 uur per week bij eiseres als allround medewerker assemblage. Op 23 september 2022 heeft hij zich ziekgemeld voor dit werk.
4.1.
Op 27 juni 2024 heeft de werknemer bij het UWV een aanvraag gedaan voor een WIA-uitkering. [3] Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het UWV een onderzoek gedaan naar de re-integratie-activiteiten van eiseres ten behoeve van de werknemer.
Standpunten van partijen
5. Het UWV stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een bevredigend resultaat en dat de re-integratieactiviteiten van eiseres onvoldoende zijn geweest. Volgens het UWV waren er vanaf 23 september 2023 benutbare mogelijkheden in passend werk voor de werknemer. Spoor 2 had acht weken na het ontstaan van belastbaarheid ingezet moeten worden. Spoor 2 is echter pas in mei 2024 ingezet. Daarnaast is in spoor 2 niet gesolliciteerd naar passende werkzaamheden waardoor het traject ook inhoudelijk niet adequaat is verlopen. Hierdoor zijn er mogelijk kansen gemist. Eiseres heeft daarvoor geen deugdelijke grond. Het UWV verwijst voor de onderbouwing van zijn standpunt naar de rapportages van de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep (B&B) en de arbeidsdeskundige B&B.
5.1.
Eiseres is het daar niet mee eens. Zij stelt zich op het standpunt dat er tot februari 2024 geen mogelijkheden voor re-integratie waren. De bedrijfsarts heeft mede op basis van zijn eigen observaties tijdens spreekuurcontacten met de werknemer geconcludeerd dat er vanwege de combinatie van fysieke beperkingen en beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren geen opening was voor een start met re-integratie. Eiseres verwijst naar de brief van de bedrijfsarts van 1 augustus 2024. In februari 2024 werd duidelijk dat er verbetering was en er mogelijkheden voor re-integratie waren en sindsdien zijn de re-integratie-activiteiten adequaat opgepakt. Volgens eiseres was er geen reden om te twijfelen aan de adviezen van de bedrijfsarts. Daarnaast zijn de verzekeringsartsen van het UWV volgens eiseres voorbij gegaan aan het feit dat de re-integratieverslagtoets geen claimbeoordeling is, maar getoetst wordt of de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden in redelijkheid tot zijn sociaal medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen.
Toetsingskader
6. Het UWV legt een loonsanctie op als blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. [4] Deze beoordeling is gebaseerd op in ieder geval een arbeidskundig onderzoek. Als sprake is van medische vragen of onduidelijkheden, vindt er ook een onderzoek door een verzekeringsarts plaats.
6.1.
Het UWV beoordeelt of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. [5]
6.2.
In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels) heeft het UWV een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Daarnaast is de Werkwijzer Poortwachter van belang, waarmee het UWV aan werkgevers duidelijkheid probeert te bieden over wat van hen bij de re-integratie van een werknemer wordt verwacht.
De overwegingen van de rechtbank
7. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een bevredigend resultaat. Dit betekent dat het UWV kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen. Partijen verschillen van mening over het moment waarop de werknemer weer mogelijkheden had om te re-integreren en of eiseres zich voldoende heeft ingespannen om de werknemer te re-integreren.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
8. Eiseres vindt dat het medisch onderzoek in bezwaar onzorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsarts B&B de werknemer niet op een spreekuur heeft gezien en niet aanwezig is geweest bij de hoorzitting. Hierdoor heeft er geen uitwisseling van medische standpunten kunnen plaatsvinden tussen de gemachtigde van eiseres, die ook arts is, en de verzekeringsarts B&B. Dat is volgens eiseres onjuist en onzorgvuldig, omdat het geschil over de medische beoordeling gaat.
8.1.
De rechtbank heeft geen aanleiding om te oordelen dat het medisch onderzoek in bezwaar onzorgvuldig is geweest. Bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van het re-integratieverslag in het kader van het opleggen van een loonsanctie bestaat geen verplichting voor de verzekeringsarts om betrokkene op een spreekuur te onderzoeken. [6] Dat in dit geval in bezwaar alleen een beoordeling op de stukken heeft plaatsgevonden, maakt het onderzoek daarmee niet onzorgvuldig. De werknemer is wel op het spreekuur geweest bij de primaire verzekeringsarts van 22 juli 2024 en het is de rechtbank niet gebleken dat er bij het UWV nog onduidelijkheid bestond over de medische situatie van de werknemer. Er was dus geen aanleiding voor een spreekuurcontact in bezwaar.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank was de verzekeringsarts B&B ook niet gehouden om aanwezig te zijn bij de hoorzitting. Een hoorzitting geeft de betrokkene de mogelijkheid om zijn standpunt mondeling toe te lichten. Voor het bestuursorgaan is het een gelegenheid om nadere informatie te krijgen en onvolledige of gebrekkige gegevens aan te (laten) vullen. Het UWV heeft uitgelegd dat de bezwaargronden duidelijk waren voor de verzekeringsarts B&B en dat er voldoende (medische) informatie aanwezig was om de re-integratie-inspanningen te beoordelen. Onder die omstandigheden is het niet onzorgvuldig of onjuist dat de verzekeringsarts B&B de hoorzitting niet heeft bijgewoond.
Onvoldoende re-integratie-inspanningen
9. In de Beleidsregels staat dat van werkgever en werknemer geen re-integratie inspanningen (meer) verlangd worden, wanneer de werknemer geen mogelijkheden heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever. Wel beoordeelt het UWV in die situatie of in redelijkheid tot dit oordeel over het ontbreken van arbeidsmogelijkheden kon worden gekomen.
9.1.
Uit vaste jurisprudentie van de CRvB [7] volgt dat, ook als de arbeidsmogelijkheden beperkt worden ingeschat, maar strikt genomen geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, van de werkgever gevergd kan worden dat hij in enige mate re-integratie-inspanningen verricht. Uitgangspunt is dat als er arbeidsmogelijkheden zijn, de werkgever zich moet inspannen voor re-integratie. Een complexe en onzekere medische toestand levert voor de werkgever geen deugdelijke grond op om re-integratieactiviteiten achterwege te laten.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV aannemelijk heeft gemaakt dat de bedrijfsarts vanaf september 2023 is uitgegaan van een onjuiste belastbaarheid van de werknemer. De verzekeringsarts B&B heeft goed gemotiveerd waarom de bedrijfsarts vanaf dat moment op basis van de hem bekende medische onderzoeksgegevens in redelijkheid niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat de werknemer geen re-integratiemogelijkheden had. Niet in geschil is dat vanaf de datum ziekmelding tot september 2023 de werknemer geen benutbare mogelijkheden (GBM) had, omdat hij vanwege een intensief behandeltraject verminderd tot niet beschikbaar was. Na afloop van dit traject was er onveranderd sprake van al jaren aanwezige fysieke en psychische klachten. Daarnaast was sprake van nieuwe fysieke klachten. De verzekeringsarts B&B heeft uitgebreid en goed uitgelegd dat er weliswaar sprake is van ernstige problematiek, maar dat dit de re-integratie niet in de weg stond en dat er arbeidsmogelijkheden waren. Met de klachten van de werknemer had rekening kunnen worden gehouden door beperkingen aan te nemen op basis van eigen onderzoek. Daarbij had de bedrijfsarts eventueel ervoor kunnen kiezen om vanuit preventieve overwegingen in eerste instantie meer beperkingen aan te nemen. Dat wat eiseres heeft aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts B&B. De rechtbank heeft ook geen redenen om te oordelen dat de inschatting van de bedrijfsarts binnen zijn professionele marge valt. In artikel 2 van Pro het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn limitatieve criteria opgenomen om een situatie van GBM te kunnen aannemen. De bedrijfsarts heeft niet gemotiveerd dat vanaf september 2023 nog werd voldaan aan een van deze criteria. De rechtbank leidt uit het dossier af dat er op zijn minst marginale arbeidsmogelijkheden waren. Dit betekent dat de belastbaarheid van de werknemer vanaf september 2023 in kaart had moeten worden gebracht. Dat heeft de bedrijfsarts ten onrechte niet gedaan. Het UWV heeft daarom terecht geconcludeerd dat mogelijk re-integratiekansen zijn gemist.
9.3.
De rechtbank concludeert dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
Is sprake van een deugdelijke grond?
10. Eiseres stelt dat zij in redelijkheid mocht afgaan op het oordeel van de bedrijfsarts, omdat zij geen redenen had om te twijfelen aan het advies van de bedrijfsarts. Een eventueel onjuist advies van de bedrijfsarts zou volgens eiseres dan ook niet voor haar rekening en risico moeten komen. Zij verwijst naar de uitspraken van deze rechtbank [8] , de rechtbank Amsterdam [9] en de rechtbank Rotterdam [10] . De rechtbank wijst echter op de uitspraak van de CRvB van 21 januari 2026, waarin de CRvB de ‘voor rekening en risico-benadering’ heeft herbevestigd. Die benadering houdt in dat de plicht van een werkgever om een zieke werknemer te re-integreren ook de verantwoordelijkheid impliceert voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de door de werkgever ingeschakelde deskundigen, zoals de bedrijfsarts. Dat betekent dat de onjuiste beoordeling door de bedrijfsarts voor rekening en risico van eiseres komt. Er is dus geen deugdelijke grond voor de tekortkoming in de re-integratie-inspanningen.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepsgronden van eiseres slagen niet. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de loonsanctie in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, voorzitter, en mr. M. Cune en
mr. J.F.C. Veelenturf, leden, in aanwezigheid van mr. M.P. Kool, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb.
2.Artikel 2.16, derde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.
3.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
4.Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.
5.Artikel 65 van Pro de Wet WIA.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1085.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2726.
8.Rechtbank Oost-Brabant 11 februari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:415.
9.Rechtbank Amsterdam 11 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:538.
10.Rechtbank Rotterdam 11 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2990.