Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4479

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
26/1541
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:6 APV EindhovenArt. 6:16 AwbArt. 8:81 AwbArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking exploitatievergunning wegens onvoldoende bewijs en spoedeisend belang

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Eindhoven om de exploitatievergunning van verzoekster in te trekken. Verzoekster stelt dat de intrekking haar bedrijfscontinuïteit bedreigt, omdat zij haar onderneming niet kan voortzetten en haar inkomen wegvalt terwijl de kosten doorlopen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het financiële belang en de dreiging voor de bedrijfscontinuïteit een spoedeisend belang vormen.

De burgemeester baseert het besluit op de stelling dat een extra leidinggevende, de echtgenoot van verzoekster, onterecht niet op de vergunning staat en betrokken is bij de exploitatie. De voorzieningenrechter constateert echter dat het dossier weinig objectief bewijs bevat, zoals getuigenverklaringen of controles, en dat verzoekster plausibele verklaringen heeft gegeven die niet overtuigend zijn weerlegd.

De voorzieningenrechter benadrukt dat de burgemeester een deugdelijke motivering moet geven en de proportionaliteit van het besluit moet toetsen. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een minder ingrijpende maatregel. Gezien de spoedeisendheid en belangenafweging wordt het besluit geschorst tot zes weken na het besluit op bezwaar, zodat verzoekster haar bedrijf kan voortzetten. Daarnaast wordt de burgemeester veroordeeld tot terugbetaling van griffierecht en proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de exploitatievergunning wordt geschorst tot zes weken na het besluit op bezwaar, zodat verzoekster haar bedrijf kan voortzetten.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1541

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A. Schram),
en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, de burgemeester

(gemachtigde: mr. J.N.H. van de Waerdt en R.J.E. Rietrae).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 13 mei 2026 van de burgemeester tot intrekking van de exploitatievergunning van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen het oordeel heeft. Het oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 mei 2026 heeft de burgemeester besloten om de exploitatievergunning, die op 11 februari 2022 aan verzoekster is verleend, in te trekken op grond van artikel 1:6, eerste lid onder a en onder g van de Algemene Plaatselijke Verordening Eindhoven (APV)
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het karakter van deze voorlopige voorzieningprocedure
3. Uitgangspunt van de wet is dat de werking van een besluit niet wordt opgeschort als er bezwaar tegen wordt gemaakt. Dat staat in artikel 6:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Met andere woorden: het besluit blijft gelden, ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daarvoor is geregeld in artikel 8:81 van Pro de Awb. In dat artikel staat dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen als er bezwaar tegen een besluit is gemaakt. Er moet dan wel sprake zijn van ‘onverwijlde spoed’ – ook wel spoedeisend belang genoemd – en de belangen die bij de zaak betrokken zijn moeten het ook nodig maken dat er een voorlopige voorziening wordt getroffen. Voor een uitzondering op de hoofdregel dat de uitkomst van de bezwaarprocedure moet worden afgewacht, moeten dus wel goede redenen aanwezig zijn. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing in de bodemzaak. In dit geval is dat het besluit van de burgemeester op het bezwaar van verzoekster. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard. Dat betekent dat als de rechtbank later, in een eventuele beroepsprocedure bij de rechtbank, een uitspraak doet, zij anders over de zaak mag oordelen dan de voorzieningenrechter nu.
De beoordeling
Spoedeisend belang
4. Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft. Door de intrekking van de exploitatievergunning kan zij haar onderneming niet meer exploiteren en is haar inkomen volledig weg komen te vallen, terwijl de financiële verplichtingen wel doorlopen. Zonder de inkomsten komt de voortzetting van haar zaak direct in gevaar. Verzoekster heeft ter onderbouwing een overzicht van de boekhouder overgelegd om de financiële situatie inzichtelijk te maken. Ook heeft verzoekster een uitdraai van haar zakelijke rekeningen overgelegd, waaruit volgt dat het saldo negatief is. Verzoekster wijst er tot slot op dat zij 15 medewerkers in dienst heeft, die op dit moment niet worden betaald en daardoor ook in de financiële problemen raken. Een van deze medewerkers heeft een verklaring opgesteld, die verzoekster heeft overgelegd.
4.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het belang van verzoekster een financieel belang is. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 februari 2024, [1] levert een enkel financieel belang in beginsel geen spoedeisend belang op. Dit kan anders zijn als de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt als geen voorlopige voorziening wordt getroffen vooruitlopend op het te nemen besluit op bezwaar.
4.2.
Op de zitting heeft verzoekster nog een opsomming gegeven van de kosten die zij de afgelopen weken heeft moeten maken en die ze ook niet allemaal heeft kunnen betalen. Deze kosten zien op de huur voor het pand (verzoekster heeft een huurschuld van drie maanden), een schuld bij de franchisegever, betalingen aan leveranciers en personeel. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat zonder het privévermogen van verzoekster, niet inzichtelijk is hoe zij er financieel voorstaat. Verzoekster heeft daarop laten weten dat zij privé geen financiële middelen heeft en dat zij dat desgewenst ook kan aantonen.
4.3.
De voorzieningenrechter vindt het gelet op de overgelegde stukken en de toelichting op zitting van verzoekster aannemelijk dat de financiële gevolgen erg groot zijn en vindt dat verzoekster daarmee ook aannemelijk heeft gemaakt dat door het intrekken van de exploitatievergunning de continuïteit van haar bedrijfsvoering in het geding komt. Zij kan namelijk niet meer haar bedrijf exploiteren tot dat er is beslist op haar bezwaar, terwijl de kosten wel oplopen. Zij heeft momenteel al schulden door de sluiting. Daarmee staat vast dat de continuïteit van de bedrijfsvoering van verzoekster in gevaar komt als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Zij heeft dus een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Belangenafweging
5. De voorzieningenrechter maakt een belangenafweging in deze zaak en betrekt bij de belangenafweging met name:
  • in hoeverre duidelijk is dat (en in hoeverre valt te beoordelen of) aan het besluit een gebrek kleeft;
  • in hoeverre dat gebrek naar verwachting te herstellen valt in het besluit op bezwaar;
  • of er een onomkeerbare situatie ontstaat als de gevraagde voorlopige voorziening wel of niet getroffen wordt;
  • hoe groot de mate van spoedeisendheid is.
5.1.
Bij zo’n belangenafweging moeten alle belangen – voor én tegen – worden afgewogen. Daarbij geldt dat als de belangen aan de ene kant groot zijn, de belangen aan de andere kant ook groot moeten zijn om daar tegenop te kunnen wegen.
5.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de intrekking van een exploitatievergunning een belastend besluit is, waarbij het aan de burgemeester is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren en aan het intrekkingsbesluit een deugdelijke motivering ten grondslag te leggen. Hieruit moet blijken dat en waarom aannemelijk is dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de in het besluit toegepaste intrekkingsgronden. Daarnaast moet de burgemeester ook toetsen of de gevolgen van het besluit voor verzoekster niet onevenredig zijn in verhouding tot de te dienen doelen. [2]
5.3.
Zowel in het bestreden besluit als het verweerschrift blijkt volgens de burgemeester uit verschillende zaken dat de heer [naam] ook als leidinggevende overeenkomstig de APV te kwalificeren is naast verzoekster. De burgemeester benoemt de volgende aspecten:
  • de heer [naam] is betrokken geweest bij het indienen van de aanvraag. De aanvraag en correspondentie hieromtrent verliep via het mailadres van het bedrijf van meneer [naam] (KvK) ( [email] );
  • op het aanvraagformulier van de exploitatievergunning staat als statutaire naam [naam] , wat refereert naar de voornamen van de heer [naam] en mevrouw [naam] . Dit wordt versterkt doordat de weergavenaam ‘ [naam] ’ is gekoppeld aan het mailadres [email] welke in de KvK genoemd staat bij een onderneming van de heer [naam] (KvK). Verder wordt er in de aanvraag over ‘wij’ gesproken;
  • uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 14 november 2025 blijkt dat de heer [naam] zich op 10 oktober 2025 voordeed als de eigenaar van [naam] . Uit de camerabeelden van het geweldsincident van 5 november 2025 in [naam] , waarbij de heer [naam] en medewerkers van [naam] betrokken waren, blijkt dat een van de werknemers het vuurwapen eerst aan de heer [naam] toonde;
  • de heer [naam] heeft bij zijn aangifte van het geweldsdelict in [naam] op 5 november 2025 verklaard dat hij al 5 jaar eigenaar van [naam] is;
  • een van de verdachte bij het geweldsincident van 5 november 2025 heeft aan de politie verklaard dat hij werkzaamheden voor de heer [naam] verricht;
  • de zienswijze en het bezwaarschrift inzake de 2 weken sluiting is ingediend via een mailadres van de heer [naam] ( [email] ). Ook in de zienswijze en het bezwaarschrift wordt gesproken over ‘wij’ en ‘ons’;
  • op 14 januari 2026 is er naar aanleiding van het verzoek van 11 december 2025 om het Bibob-formulier in te vullen, een terugbelnotitie achtergelaten door de heer [naam] , de notitie luidt: ‘ [naam] heeft een zaak op de [adres] . Hij heeft ene brief van jullie ontvangen die hij niet begrijpt. Zou gaan over zaken die hij al eerder zou hebben opgestuurd. Hij hoopt dit te kunnen bespreken graag contact opnemen.‘ Hierbij is het telefoonnummer van de heer [naam] (+ [telefoonnummer] ) achtergelaten en bij het terugbellen nam hij ook op. Hij deelde ook juiste informatie, bijvoorbeeld dat een nieuwe advocaat werd ingeschakeld.
  • Tijdens een gemeentelijke controle is geconstateerd dat mevrouw [naam] de heer [naam] belde met vragen over [naam] en dat hij in gesprek met de toezichthouders mevrouw [naam] medewerkster noemde. Mevrouw [naam] verklaarde in eerste instantie dat ze niet wist of ze als leidinggevende op de exploitatievergunning stond (later kwam ze daar op terug) en dat de heer [naam] alle administratie van het bedrijf en alles rondom de vergunning doet en dat zij zelf alleen in de keuken voor het bereiden van bestellingen staat.”
Uit deze punten leidt de burgemeester af dat het aannemelijk is dat er sprake is van een extra leidinggevende die niet op de exploitatievergunning staat en die er wel op had moeten staan. Wat verzoekster hiertegen heeft aangevoerd, maakt dit volgens de burgemeester niet anders.
5.4.
De voorzieningenrechter heeft bovengenoemde omstandigheden op de zitting puntsgewijs besproken en aan verzoekster haar reactie op deze punten gevraagd. Verzoekster heeft daarop als volgt verklaard.
5.4.1.
Verzoekster heeft er in de eerste plaats gewezen dat zij niet in Nederland is geboren en dat Nederlands niet haar moedertaal is. Dat leidt tot meerdere uitdagingen. Zo heeft verzoekster verklaard dat zij al eerder een [naam] filiaal wilde openen, maar dat is toen niet gelukt. Zij was toen nog samen met haar ex-partner en zij had gezien dat familieleden van hem een filiaal waren gestart in Rotterdam dat erg succesvol was. Ze wilde heel graag hetzelfde doen. Toen zij na haar scheiding haar huidige echtgenoot tegenkwam, was het openen van een [naam] filiaal nog steeds haar grote droom, maar ze zag op tegen al het papierwerk dat niet in haar moedertaal was. Haar echtgenoot heeft haar toen aangeboden om te helpen met deze formaliteiten en daarom is er veel vanuit zijn e-mailadres en naam gegaan.
5.4.2.
De taaluitdaging komt ook naar voren in de reactie van verzoekster op het laatste punt, de gemeentelijke controle. Verzoekster licht toe dat de toezichthouders op de stoep stonden op een heel druk moment van de dag. Zij had op dat moment 70 bestellingen en twee personeelsleden hadden zich ziek gemeld. Ze heeft tegen de toezichthouders gezegd dat ze moesten wachten, omdat ze alleen in de keuken stond. Ze heeft vervolgens haar man gebeld, omdat hij haar heeft geholpen met de aanvraag van de exploitatievergunning. Hij reageerde boos op haar omdat hij niet begreep waarom zij hem hiervoor belde en omdat hij zelf ook in een vergadering zat op dat moment. Ze betwist uitdrukkelijk dat er gezegd is dat ze niet wist dat ze op de exploitatievergunning stond als leidinggevende. Verzoekster wist juist heel goed dat zij als leidinggevende op de exploitatievergunning stond, omdat ze zich nog goed herinnerde dat ze zo blij was dat ze de exploitatievergunning heel snel binnen had, gelet op haar vlekkeloze verleden. De toezichthouders hebben opgeschreven dat ze zou hebben gezegd dat haar man de administratie doet en zich bezighoudt met de vergunning en dat zij zelf alleen in de keuken staat voor het bereiden van bestellingen, maar wat ze heeft gezegd is: “Sorry, u moet even wachten, want ik sta alleen in de keuken”, waarmee ze bedoelde dat ze in haar eentje in de keuken stond op het moment dat de toezichthouders de zaak binnen kwamen en vragen begonnen te stellen over de vergunning, terwijl er een groot aantal bestellingen moest worden weggewerkt.
5.4.3.
Verzoekster heeft uitgelegd dat haar echtgenoot na zijn werk regelmatig naar haar zaak komt, zodat ze samen naar huis kunnen gaan als zij klaar is. Vaak eet hij dan ook nog wat daar. Eerder woonden ze op zo’n 100 meter afstand van haar zaak en kwam hij er eigenlijk nooit. Nu wonen ze verder weg en hebben ze maar één auto, dus reizen ze vaak samen naar huis. Hij wordt in de ochtend opgehaald door collega’s en laat zich dan in de avond afzetten bij haar zaak.
5.4.4.
Ook over het geweldsincident heeft verzoekster een nadere toelichting gegeven. Haar echtgenoot was achter de zaak met een werknemer van zijn transportbedrijf. Zij zag twee mannen agressief de zaak in lopen en is hulp gaan halen. Haar man en zijn werknemer zijn via de achterdeur de zaak binnen gekomen om haar te helpen en vervolgens heeft het incident plaatsgevonden. Omdat zij via de achterdeur de zaak binnen zijn gekomen, kwamen ze via de toonbank de zaak in. De werknemer van haar echtgenoot heeft verklaard dat hij op dat moment voor de echtgenoot werkte en dat hij personen vervoerde. Verzoekster heeft uitgelegd dat haar echtgenoot een bedrijf heeft dat goederen vervoert/bezorgt, en dat daarvoor soms personen naar een opslaglocatie moeten worden gebracht om te helpen de goederen in te laden, naar de plaats van bestemming te brengen en uit te laden. De werknemer van haar man heeft in het verleden bij haar in de zaak gewerkt, maar is uit dienst gedaan. Op een later moment is hij klusjes voor haar echtgenoot gaan doen, waaronder het vervoeren van personen naar een opslaglocatie. Haar echtgenoot en de werknemer waren op het moment van het geweldsincident dus per toeval bij de zaak en hebben niets met de exploitatie te maken.
5.4.5.
Verzoekster heeft vervolgens uitgelegd dat alles rondom de sluiting die uit het geweldsincident voortkwam, haar enorm heeft aangegrepen en dat zij er letterlijk ziek van is geweest. Zij heeft daarom haar echtgenoot gevraagd of hij haar kon helpen met het navraag doen bij de gemeente en het indienen van de zienswijze. Zij was fysiek niet in staat om achter een computer te zitten, had heftige hoofdpijnen, een hoge bloeddruk en verbleef in die periode veel op een donkere kamer.
5.4.6.
De voorzieningenrechter heeft op zitting gevraagd naar het feit dat er in het bestreden besluit staat dat verzoekster zou hebben vermeld dat de camera kapot was ten tijde van het geweldsincident. Verzoekster heeft hierop gereageerd en toegelicht dat ze inderdaad heeft gezegd dat één van de twee camera’s kapot was. De camera van de vorige eigenaar was kapot, maar de nieuwe camera deed het en daarvan zijn de beelden in beslag genomen. De voorzieningenrechter heeft aan de burgemeester gevraagd hoe zij deze opmerking in het besteden besluit moet zien. Het lijkt een verwijt te suggereren, alsof verzoekster met opzet zou hebben verklaard dat de camera kapot is om op die manier iets te verdoezelen. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verzoekster op de zitting over de tweede camera ongeloofwaardig is en dat de bestuurlijke rapportage voor zich spreekt.
5.5.
De voorzieningenrechter heeft ook aan de burgemeester gevraagd wat hij vindt van de overige reacties van verzoekster op de omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit. Daarop heeft de burgemeester gezegd dat nu overal een draai aan wordt gegeven en hij heeft vervolgens verwezen naar de bestuurlijke rapportages van de politie en de toezichthouders.
5.6.
De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat verzoekster plausibele verklaringen en reacties heeft gegeven, en dat de burgemeester dan niet kan volstaan met de enkele opmerking dat er nu een draai aan wordt gegeven. De bestuurlijke rapportages waar de burgemeester naar verwijst, zijn erg summier en de onderliggende stukken van die rapportages ontbreken. Bovendien heeft verzoekster met enkele van haar reacties de inhoud van de bestuurlijke rapportages nu juist betwist en zal de burgemeester duidelijk moeten motiveren waarom haar reacties dan niet geloofwaardig zijn.
5.7.
De voorzieningenrechter heeft verzoekster gehoord op de zitting en geconstateerd dat zij de Nederlandse taal beheerst. Maar tijdens de zitting waren er ook een paar momenten waar de voorzieningenrechter en verzoekster elkaar niet helemaal begrepen, wat voortkwam uit het feit dat Nederlands niet haar moedertaal is. De voorzieningenrechter vindt het dan ook zeer aannemelijk dat dit in aanloop naar het bestreden besluit op momenten ook wel eens voor ruis op de lijn heeft gezorgd.
5.8.
De voorzieningenrechter heeft op zitting ook aan de burgemeester voorgehouden dat het dossier geen blijk geeft van controles en waarnemingen die zijn gedaan waaruit zou blijken dat de echtgenoot aan het leidinggeven is of überhaupt aan het werk is in de zaak van verzoekster. Medewerkers van het [naam] filiaal van verzoekster zijn niet bevraagd, er is geen buurtonderzoek gedaan om na te gaan of omwonenden of naburige ondernemers de echtgenoot van verzoekster ‘aan het werk’ hebben gezien. De voorzieningenrechter is het daarom met verzoekster eens dat het dossier weinig objectief bewijs bevat.
5.9.
De verklaring van de burgemeester op de zitting dat het voor de politie niet mogelijk is om elke dag te controleren en dat controleren nu achteraf niet meer kan, kan de voorzieningenrechter niet volgen. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom de politie of toezichthouders elke dag zouden moeten controleren. Dit had ook steekproefsgewijs gekund, net als bij de controle door de toezichthouders waar wel een verslagje van in het dossier zit. Op dat moment was de echtgenoot van verzoekster overigens niet in de zaak aanwezig. Dat het nu niet meer zou kunnen omdat verzoekster volgens de burgemeester op haar hoede is, kan niet voor rekening van verzoekster komen. Het is aan de burgemeester om vóór het nemen van een belastend besluit alle relevante feiten te verzamelen die ten grondslag worden gelegd aan dat besluit.
5.10.
Verzoekster heeft ook een verklaring overgelegd van de directeur van de franchisegever, die verklaart dat er nooit contact is geweest met de echtgenoot van verzoekster. Er is wel altijd veel contact met verzoekster over de zaak en de franchisegever schrijft dat hij voor toelichtingen of vragen van de burgemeester bereikbaar is. De burgemeester heeft daar geen gebruik van gemaakt en heeft ook geen deugdelijke argumenten gegeven waarom niet kan worden uitgegaan van deze verklaring.
5.11.
De voorzieningenrechter vindt ook dat verzoekster terecht wijst op het feit dat de jurisprudentie die de burgemeester betrekt bij het bestreden besluit en het verweerschrift, niet vergelijkbaar is met deze zaak. In de zaken waar die uitspraken op zagen, was er wel sprake van waarnemingen en ander objectief bewijs.
5.12.
Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat zowel in het licht van de evenredigheid van het bestreden besluit als bij de beoordeling van de spoedeisendheid aan de zijde van de burgemeester om direct tot intrekking over te gaan, niet duidelijk is waarom niet kan worden volstaan met een minder ingrijpend middel. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester niet goed heeft gemotiveerd waarom er niet kan worden volstaan met bijvoorbeeld het stellen van de voorwaarde dat de echtgenoot van verzoekster zich niet in de zaak van verzoekster mag laten zien, al is het maar tijdens de bezwaarprocedure. Dat dit – al dan niet tijdelijk – teveel werk vergt van de politie of toezichthouders, vindt de voorzieningenrechter onvoldoende om dan direct maar over te gaan tot zo’n ingrijpend middel terwijl controles om diverse redenen continu worden uitgevoerd.
5.13.
Dit alles bezien in het licht van het feit dat de voorzieningenrechter vindt dat verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat de continuïteit van haar bedrijfsvoering in het geding komt, maakt dat de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening toewijst. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot zes weken na het besluit op bezwaar. Dat betekent dat verzoekster haar zaak open mag blijven gedurende deze termijn.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op het bezwaar.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekster terugbetalen en krijgt verzoekster ook een vergoeding voor haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,– (2 punten met een waarde per punt van € 934,–) omdat verzoeksters gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,– aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,– aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vonk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Het evenredigheidsbeginsel uit artikel 3:4, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht, zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:564, r.o. 6.3 e.v.