ECLI:NL:RBOBR:2026:4508

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
24/1865
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenBesluit proceskosten bestuursrechtWet tarieven in strafzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling urenbeperking en arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering na bezwaar en beroep

Eiseres maakte bezwaar tegen het UWV-besluit dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn en geen WIA-uitkering meer zou ontvangen. Na bezwaar stelde het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage bij op 43,94%, waarna eiseres beroep instelde. De rechtbank deed een tussenuitspraak en gaf eiseres de gelegenheid haar standpunt nader te onderbouwen, waarna het UWV het percentage verhoogde naar 75,98%. Eiseres bleef het hier niet mee eens en leverde aanvullende rapportages.

De rechtbank beoordeelde de medische en arbeidskundige rapportages, waarbij de verzekeringsarts B&B een urenbeperking van 6 uur per dag en 32 uur per week aannam, gebaseerd op pijnklachten, vermoeidheid en psychische problematiek. Eiseres stelde een strengere urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week voor, maar kon dit niet medisch objectief onderbouwen.

Ook de geschiktheid van functies werd besproken; de rechtbank volgde het UWV dat de functies montagemedewerker/bestukker en medewerker KCC passend zijn ondanks de door eiseres genoemde afleidingen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Tevens veroordeelde zij het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond; geen verdergaande urenbeperking toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/1865
uitspraak na tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R.J. Hoogeveen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de door het UWV vastgestelde mate van haar arbeidsongeschiktheid per 22 juni 2023 in het kader van haar WIA-uitkering [1] .
1.1.
Met het besluit van 21 april 2023 heeft het UWV vastgesteld dat eiseres vanaf 22 juni 2023 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn.
1.2.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit I) heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd naar 43,94% en is haar WIA-uitkering hervat.
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend met een aanvullende rapportage van verzekeringsarts P.J.A.J. van Amelsfoort (hierna: Van Amelsfoort).
1.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. T.P.A.W. Hanenberg namens het UWV.
1.6.
De rechtbank heeft op 25 juni 2025 een tussenuitspraak (de tussenuitspraak) gedaan. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank eiseres met een ‘burgerlus’ in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, haar standpunt nader te onderbouwen. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank tevens geoordeeld dat het bestreden besluit I leidt aan een gebrek en daarom is het UWV in de gelegenheid gesteld dat gebrek te herstellen binnen acht weken nadat de rechtbank de nadere onderbouwing van eiseres heeft doorgezonden.
1.7.
Naar aanleiding van deze tussenuitspraak heeft eiseres op 13 oktober 2025 een nadere motivering van haar standpunt ingediend in de vorm van een aanvullende rapportage van verzekeringsarts Van Amelsfoort.
1.8.
Het UWV heeft naar aanleiding van de nadere motivering van eiseres op 15 januari 2026 een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres genomen (het bestreden besluit II) en het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres per 22 juni 2023 gewijzigd naar 75,98%.
1.9.
De rechtbank heeft eiseres gevraagd of zij zich kan vinden in dit nieuwe besluit. Eiseres heeft aangegeven zich niet te kunnen vinden in dit nieuwe besluit en heeft op het bestreden besluit II gereageerd met een aanvullende rapportage van verzekeringsarts Van Amelsfoort en arbeidsdeskundige M. Overduin (hierna: Overduin) van 20 februari 2026.
1.10.
Het UWV heeft op de aanvullende rapportage van verzekeringsarts Van Amelsfoort en arbeidsdeskundige Overduin gereageerd met een aanvullend verweerschrift en een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar & beroep (B&B).
1.11.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Voor een uitgebreide(re) weergave van de feiten en de standpunten van partijen (tot het moment van de tussenuitspraak) verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. [2] Van dit laatste is hier geen sprake.
Wat heeft de rechtbank overwogen in de tussenuitspraak?
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat eiseres onvoldoende onderbouwd heeft waarom een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week op zijn plaats is. Volgens verzekeringsarts Van Amelsfoort zijn de klachten dermate ernstig dat zij is aangewezen op een urenbeperking, maar een medische onderbouwing daarvan ontbreekt. Daarnaast stelt Van Amelsfoort dat eiseres vermoeid is omdat zij slecht slaapt en daarom een noodzaak heeft tot het nemen van rustperiodes op een dag, maar daarmee is de medische noodzaak voor een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week niet onderbouwt. De rechtbank heeft eiseres daarom met een ‘burgerlus’ in de gelegenheid gesteld haar standpunt nader te onderbouwen.
3.1.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak verder overwogen dat het UWV niet voldoende heeft gemotiveerd dat geen urenbeperking aangenomen hoeft te worden. Eiseres is bekend met PTSS en zij heeft onderbouwd gesteld dat de slaapproblemen zorgen voor een verminderde mogelijkheid tot recuperatie. De enkele stelling van het UWV dat de psychiatrische problematiek niet zodanig is dat het geen urenbeperking rechtvaardigt vindt de rechtbank dan ook onvoldoende. De rechtbank heeft het UWV daarom in de gelegenheid gesteld om nader te motiveren waarom de slaapproblemen van eiseres niet zorgen voor een verminderde mogelijkheid tot recuperatie.
De nadere motivering van eiseres en de nieuwe beslissing op het bezwaar (het bestreden besluit II)
4. Eiseres heeft haar standpunt nader gemotiveerd met de aanvullende rapportage van 9 oktober 2025 van verzekeringsarts Van Amelsfoort. Hij heeft in deze rapportage toegelicht dat bij eiseres sprake is van chronische pijnklachten, met name van het bewegingsapparaat welke niet volledig behandelbaar zijn. De pijnklachten komen voort uit artrotische afwijkingen van de lage rug en gewrichten. De chronische pijn leidt tot vermoeidheidklachten welke worden versterkt door de psychische problematiek. De pijn leidt tot slaaponderbrekingen en dat is nu ook het geval door nachtmerries in samenhang met het beeld van PTSS. De energetische klachten leiden tot de noodzaak tot rust overdag. Het slaapprobleem is het gevolg van ziekte en geeft dan ook mede aanleiding tot de noodzaak van recuperatie. Daarom is er aanleiding om een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week aan te nemen.
5. Naar aanleiding van de nadere motivering van eiseres heeft de verzekeringsarts B&B in zijn aanvullende rapportage van 2 december 2025 een gewijzigd standpunt ingenomen. De verzekeringsarts B&B heeft toegelicht dat er een energetische indicatie is voor een urenbeperking op basis van de Standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ als gevolg van pijnklachten door de aandoeningen van het bewegingsapparaat, de vermoeidheidsklachten, de psychische problematiek met angstklachten, de verhoogde prikkelgevoeligheid, de slaapproblemen met nachtmerries en het dagverhaal met verhoogde recuperatiebehoefte. Er is daarom aanleiding voor een urenbeperking van 6 uur per dag en 32 uur per week. Er is geen aanleiding om de door Van Amelsfoort aangenomen urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week over te nemen, omdat eiseres een vrij actief dagverhaal had op de datum in geding. Daarnaast zijn er in verband met de aandoeningen van het bewegingsapparaat, de vermoeidheidklachten en de psychische problematiek al uitgebreide beperkingen aangenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) waardoor eiseres al aangewezen is op werk dat significant minder belastend en vermoeiden is voor haar.
5.1.
Omdat er door de verzekeringsarts B&B een nieuwe FML is opgesteld, heeft de arbeidsdeskundige B&B beoordeeld wat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres is met inachtneming van de aangepaste FML. De arbeidsdeskundige B&B heeft vastgesteld dat eiseres met haar beperkingen de functies medewerker KCC (SBC-code 315174), montagemedewerker/bestukker (SBC-code 111180) en telefonisch verkoper (SBC-code 315176) kan verrichten. Het inkomen dat zij daarmee kan verdienen is vergeleken met het inkomen dat eiseres verdiende voordat zij ziek werd. Hieruit volgt een arbeidsongeschiktheidspercentage van 75,98%. Dit heeft geleid tot het bestreden besluit II.
6. Bij brief van 6 maart 2026 heeft eiseres aangegeven dat zij zich niet kan verenigen met het bestreden besluit II. Eiseres heeft een aanvullende rapportage van Van Amelsfoort en Overduin van 20 februari 2026 overgelegd. In deze aanvullende rapportage heeft Van Amelsfoort nader onderbouwd dat er voldoende reden is om een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week aan te nemen gelet op de noodzaak tot rust. Van Amelsfoort verwijst daarbij naar de (hetero)anamnese van zijn onderzoek, waaruit naar voren komt dat eiseres structureel 2 tot 3 uur per dag rust en dat zij regelmatig een gehele dag rust nodig heeft. Overduin heeft in deze rapportage toegelicht dat, indien er een urenbeperking wordt aangenomen van 4 uur per dag en 20 uur per week, uitsluitend de functie montagemedewerker/bestukker (SBC-code 111180) voldoet aan deze voorwaarde. Daarnaast werkt men in de functie montagemedewerker/bestukker (SBC-code 111180) met meerdere medewerkers in een ruime, goed verlichte productiehal met ruime looppaden en grote onderlinge afstand tussen de werkplekken. Afleiding door activiteiten door anderen is daardoor niet te vermijden. Ook in de functie medewerker KCC (SBC-code 315174) is afleiding door anderen niet te vermijden. Er is in de kantoortuin namelijk sprake van zowel visuele als auditieve prikkels van collega’s die telefoneren en door de ruimte lopen. Deze functies zijn daarom niet geschikt.
7. Het UWV heeft op de aanvullende rapportage gereageerd met een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts B&B van 18 mei 2026. De verzekeringsarts B&B stelt dat Van Amelsfoort voornamelijk aansluit bij wat eiseres zelf ervaart en wat zij zelf nodig vindt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 september 2020 [3] heeft de verzekeringsarts B&B toegelicht dat er hierbij sprake is van subjectieve gegevens, terwijl niet de subjectiviteit van ervaren klachten bepalend is voor het aannemen van beperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML), maar dat wat geobjectiveerd is. Daarnaast verwijst de verzekeringsarts B&B naar het behandelplan van de GGZ van 16 november 2023, waarin wordt aangegeven dat eiseres weliswaar last heeft van slaapproblemen en vermoeidheidsklachten, maar dat zij overdag maar soms rust nodig heeft. Een urenbeperking van 6 uur per dag en 32 uur per week is daarom ruim toereikend, aldus de verzekeringsarts B&B. Ten aanzien van de arbeidskundige gronden bestaat er volgens het UWV geen geschil over de geschiktheid van de functies bij een ongewijzigde FML.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
Het beroep tegen het besluit van 21 maart 2024
8. De rechtbank stelt vast dat het UWV in beroep het bestreden besluit I heeft gewijzigd. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit II niet geheel tegemoetkomt aan het beroep tegen het bestreden besluit I en dat het beroep op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede is gericht tegen het bestreden besluit II.
8.1.
Er is niet gebleken dat eiseres nog procesbelang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit I. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit I daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Het beroep tegen het besluit van 15 januari 2026
9. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts B&B goed heeft uitgelegd dat de urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week is aangenomen vanwege de pijnklachten, de vermoeidheidsklachten en de psychische problematiek van eiseres, maar dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat eiseres op de datum in geding is aangewezen op een verdergaande urenbeperking. Daarbij overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts B&B heeft toegelicht dat er geen aanwijzingen zijn in het dagverhaal voor een verdergaande urenbeperking, omdat eiseres nog voldoende activiteiten onderneemt. Ook is eiseres door de aangenomen beperkingen in de FML al aangewezen op werk dat minder belastend en vermoeiend is en uit het behandelplan van de GGZ van 16 november 2023 blijkt enkel dat eiseres soms rust nodig heeft. De rechtbank kan deze toelichting volgen en is van oordeel dat de verzekeringsarts B&B hiermee voldoende uiteen heeft gezet dat er geen aanleiding is voor een verdergaande urenbeperking. De rechtbank ziet in de rapportages van Van Amelsfoort geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts B&B. Van Amelsfoort stelt weliswaar dat eiseres regelmatig een rustdag neemt en dat deze rustdag ook noodzakelijk is, maar hij heeft niet met medische stukken of op andere wijze onderbouwd dat er een medisch objectieve noodzaak bestaat voor deze rustdag. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat de conclusie van Van Amelsfoort is gebaseerd op een (hetero)anamnese en dus voornamelijk op de subjectieve klachtenbeleving van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Eiseres stelt dat dat de functie van montagemedewerker/bestukker (SBC-code 111180) niet geschikt is omdat er wordt gewerkt met maximaal 15 medewerkers in een ruime goed verlichte productiehal met ruime looppaden en grote onderlinge afstand tussen de werkplekken. Hierdoor is afleiding niet te vermijden. Deze stelling volgt de rechtbank niet. De verzekeringsarts B&B heeft een beperking aangenomen op het gebied van afleiding voor anderen, in die zin dat een drukke werkomgeving met veel lawaai vermeden moet worden. In het resultaat functiebeoordeling wordt de werkomgeving omschreven als een rustige omgeving met achtergrond muziek. Ook is er in het resultaat functiebeoordeling geen kenmerkende belasting op afleiding door anderen gesignaleerd.
10.1.
Daarnaast stelt eiseres dat ook de functie van medewerker KCC (SBC-code 315174) niet geschikt is omdat afleiding niet te vermijden is. Er is in de kantoortuin namelijk sprake van zowel visuele als auditieve prikkels van collega’s die telefoneren en door de ruimte lopen, aldus eiseres. In het resultaat functiebeoordeling heeft de arbeidsdeskundige B&B toegelicht dat de belastbaarheid niet wordt overschreden omdat er geen sprake is van lawaai. De collega’s zijn vooral achter hun bureau aan het werk en er is geen constant geloop van collega’s. Verder worden de visuele prikkels afgevangen door wandjes die zijn geplaatst tussen de werkplekken. Er wordt gewerkt met een headset en deze is te vervangen in een headset met noise-cancelling waarmee het geluid van collega’s kan worden verminderd. Er is dan ook geen sprake van een overschrijding van de belastbaarheid. Daarnaast is er overleg geweest tussen de arbeidsdeskundige B&B en de verzekeringsarts B&B. De arbeidsdeskundige B&B heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd toegelicht dat de belastbaarheid van eiseres in de functie niet wordt overschreden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep tegen het bestreden beroep I is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
12. Nu het UWV naar aanleiding van het beroep een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding het UWV met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 2.335,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,-). Daarbij is in aanmerking genomen dat het UWV in het bestreden besluit II eiseres al een vergoeding heeft toegekend voor de kosten in bezwaar.
12.1.
Met betrekking tot het verzoek van eiseres om vergoeding van de door haar gemaakte kosten voor de inschakeling van verzekeringsarts Van Amelsfoort en arbeidsdeskundige Overduin overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb wordt de vergoeding van kosten van een deskundige vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wts) en het daarop gebaseerde Besluit tarieven in strafzaken (Bts). Uit artikel 6 van Pro het Bts volgt dat de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, voor een opdracht verstrekt in 2024 vergoed worden tot het maximum tarief van € 154,50. Voor een opdracht verstrekt in 2025 geldt een maximum tarief van € 162,63 en voor een opdracht verstrekt in 2026 geldt een maximum tarief van € 184,42. Uit artikel 15 van Pro het Bts volgt dat voorgenoemde tarieven worden verhoogd met 21% omzetbelastingen (Btw) die daarover is verschuldigd.
12.2.
Verzekeringsarts Van Amelsfoort heeft op 5 juli 2024 en 9 oktober 2025 een rapportage uitgebracht. Op 20 februari 2026 hebben Van Amelsfoort en Overduin gezamenlijk een rapportage uitgebracht. Uit de factuur van de rapportage van 5 juli 2024 blijkt dat Van Amelsfoort 1 uur heeft besteed aan zijn rapportage van 5 juli 2024. De vergoeding voor deze rapportage bedraagt dan ook € 154,50. Van Amelsfoort heeft 2 uur besteed aan zijn rapportage van 9 oktober 2025. De vergoeding voor de rapportage van 9 oktober 2025 bedraagt daarmee € 325,26 (2 x € 162,63). Uit de factuur van de rapportage van Van Amelsfoort en Overduin van 20 februari 2026 blijkt niet hoeveel de uren de deskundigen hebben besteed of welk uurtarief de deskundigen hebben gehanteerd. Het UWV heeft aangegeven dat deze factuur niet inzichtelijk is en daarom niet te achterhalen is of dit tarief de uren rechtvaardigt. Dat eiseres geen specificatie van de factuur heeft overgelegd, geeft de rechtbank geen aanleiding om geen vergoeding voor de kosten van de rapportage van 20 februari 2026 toe te kennen. De rechtbank ziet namelijk dat wel kosten zijn gemaakt, maar de rechtbank vindt het ook niet redelijk om die volledig toe te wijzen. Daarom zal de rechtbank de kosten van de rapportage schatten. Omdat de rapportage is opgesteld door twee deskundigen zal de rechtbank uitgaan van een totale tijdsbesteding van 1,5 uur. De rapportage komt daarmee voor een kostenvergoeding in aanmerking ter hoogte van een bedrag van € 276,63 (1,5 x € 184,42). Verhoogd met de omzetbelasting wordt de totale vergoeding voor de rapportages vastgesteld op € 915,23.
12.3.
De totale voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedragen € 3.250,23 (€ 2.335,- + € 915,23).
12.4.
Tot slot moet het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- aan haar vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- aan haar moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 3.250,23 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. Kool, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Wet WIA.
2.De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 20211, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.