Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
DEXIA NEDERLAND B.V.,
€ 6.270,85 aan maandtermijnen en een bedrag van € 3.384,29 aan restschuld aan Dexia betaald, en heeft [gedaagde] een bedrag van € 863,11 aan dividenden ontvangen.
Onder verwijzing naar HR 6 september 2013, (ECLI:NL:HR:2013:CA1725, NBG Finance) en HR 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) stelt Dexia dat met betrekking tot de vraag of sprake is geweest van vergunningplichtig advies andere maatstaven dienen te worden aangelegd in het geval de effectenlease-overeenkomst tot stand is gekomen doordat de betreffende afnemer de tussenpersoon heeft benaderd, dan in het geval het de tussenpersoon is geweest die de afnemer heeft benaderd. Volgens Dexia volgt dit ook uit de Hof-arresten als genoemd in haar akte van 8 juni 2021. Dexia heeft eveneens hetgeen [gedaagde] heeft gesteld met betrekking tot het doorgeven van een ‘order’ gemotiveerd betwist. De stelling van [gedaagde] dat reeds sprake zou zijn van schending van artikel 41 NR Pro 99 wanneer de tussenpersoon (zonder vergunning) méér dan alleen de contactgegevens van de cliënt heeft doorgegeven aan de effecteninstelling volgt volgens Dexia niet uit de arresten van de Hoge Raad. Sinds het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:809) hebben alle hoven op één na de stelling verworpen dat Dexia een order heeft geaccepteerd in de vorm van een aanvraagformulier of overeenkomst van effectenlease, aldus Dexia.
- handleiding ‘Bank Labouchere Effectenlease Handleiding 1998’ (prod. 11 cva);
- de standaard cliëntenremisier-overeenkomst tussen Dexia en een tussenpersoon (prod. 9 cva);
- het rapport van de AFM in 2006 opgesteld in opdracht van Hof Amsterdam (prod. 37 bij akte 11 mei 2021 a/z Dexia);
- de aanvraagformulieren zoals vermeld in gepubliceerde uitspraken waaronder Hof Den Bosch 1 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1620;
- de voorbeelden van brieven die Dexia meezond met de nog door de afnemer te ondertekenen overeenkomst (productie 116 bij akte 11 mei 2021 a/z [gedaagde] );
- de als voorbeeld overgelegde brochure (voor het product Overwaarde Effect, productie 74 bij akte 11 mei 2021 a/z [gedaagde] ).
De door de Hoge Raad gegeven maatstaven
“
3.4.1 Uit het arrest [B]/Dexia volgen, voor zover voor deze zaak van belang, de volgende regels.
beleidsbrief van de STE van 5 februari 2002(die kennelijk aan meerdere geadresseerden was gericht) waarin met betrekking tot de taken van een cliëntenremisier het volgende staat vermeld:
Aanbrengen
brief d.d. 12 juni 2002 van SpaarSelect aan de AFM, waarin wordt gerefereerd aan een gesprek met de AFM en waarin om bevestiging wordt verzocht dat tot (niet vergunningplichtige) cliëntenremisier activiteiten behoort “…
het met de klant invullen van een aanvraagformulier (waarbij vanzelfsprekend een fondskeuze aangekruist moet worden indien het product die mogelijkheid kent) en het opsturen van dit aanvraagformulier namens de klant naar de instelling waarvoor cliëntenremisieractiviteiten worden verricht…”.
brief d.d. 21 juni 2002 van AFM aan SpaarSelect, waarin staat:
“
Naar aanleiding van uw brief van 12 juni 2002 bevestigen wij u hierbij da de door u genoemde activiteiten door cliëntenremisiers zijn toegestaan, met inachtneming van het gestelde in onze brief van 5 februari 2002 (zie bijlage).Wellicht ten overvloede delen wij u mede dat Spaar Select BV. uitsluitend cliënten mag aanbrengen bij vergunninghoudende effecten- en/of beleggingsinstellingen. Spaar Select B.V. mag producten alleen namens deze instellingen aanbieden. Het is Spaar Select B.V. niet toegestaan zelfontwikkelde producten aan te bieden. Te allen tijde dient door of onder verantwoordelijkheid van de effecteninstelling waar de cliënten worden aangebracht, voor betrokken cliënten vooraf een profiel te worden opgesteld.”
voorlopig getuigenverhoor d.d. 2 februari 2021gehoorde voormalige Toezichthouder, van maart 2000 tot medio 2009 werkzaam bij de STE/AFM, heeft als getuige verklaard:
Ik kan daarover verklaren dat de brief van 5 februari 2002 een algemeen beleidsstuk betreft dat uitleg geeft over de regelgeving. De brief van 21 juni 2002 gaat meer specifiek in op de situatie van Spaar Select. Daarom kon dat een hele korte brief zijn.
Eerste onderdeel: wanneer is sprake van een vergunningplichtig advies?
de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft“als bedoeld in de onder randnummer 11 geciteerde overwegingen. Daarvoor is noodzakelijk dat de overeenkomst door Dexia is gesloten terwijl Dexia wist of behoorde te weten dat de daarbij optredende tussenpersoon/cliëntenremisier, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, de afnemer financieel heeft geadviseerd. Vast staat dat de onderhavige tussenpersoon niet beschikte over de betreffende vergunning. Naast de (mogelijke) wetenschap van Dexia is dan van belang of de inhoud van het door de tussenpersoon als cliëntenremisier gegeven advies zodanig is geweest dat daardoor is gehandeld in strijd met het verbod van artikel 41 NR1999. Een zodanig advies wordt hierna aan geduid als ‘een vergunningplichtig advies’.
voorbeeldengenoemde uitspraken (Nb: onderstaande uitspraken zijn gekozen als voorbeeld van een bepaalde redenering en vormen niet een limitatieve of representatieve opsomming van alle uitspraken over het betreffende onderwerp).
Ter
toelichtingvooraf: Waar bij deze uitspraken feiten worden genoemd betreft dit de feiten waar de rechtbank dan wel het hof van uit zijn gegaan. Voor de leesbaarheid wordt de wederpartij van Dexia wordt aangeduid met ‘Afnemer’ en de (adviseur van de) tussenpersoon met ‘de tussenpersoon’. Geen van de betreffende tussenpersonen/cliëntenremisiers beschikten over een vergunning om als beleggingsadviseur op te treden. In alle gevallen is overwogen dat (ook) de tussenpersoon niet heeft gewezen op de risico’s verbonden met het aangaan van de effectenlease- overeenkomst(en), welk feit hierna niet meer afzonderlijk wordt vermeld.
“…
om bescherming te geven aan mensen die wilden gaan beleggen. De tussenpersoon mocht bepaalde dingen doen omdat uiteindelijk de instelling waarmee het contract werd gesloten moest zorgen voor de bescherming van de klanten. Als we goed kijken naar de regels van toen mocht de tussenpersoon zonder vergunning niet meer doen dan:
klanten in contact brengen met een beleggingsinstelling (het aanbrengen van een klant);
informatie over deze klant doorgeven aan die beleggingsinstelling (waarbij hij bijvoorbeeld wel gegevens over het profiel van de klant mag doorgeven aan de instelling);
het informeren van klanten over wat een aandelenleaseproduct in het algemeen is;
in het algemeen (niet op een bepaalde klant gericht) reclame maken voor een concreet aandelenleaseproduct, als hij daarbij maar duidelijk vermeldt van welke beleggingsinstelling dit product is.
een concreet aandelenleaseproduct aanbevelen aan de klant;
een effectenorder doorgeven (dat wil zeggen: een opdracht om aandelen te kopen);
adviseren over de keuze van een instelling die de effectentransacties zal uitvoeren;
bemiddelen bij de totstandkoming van een beleggingsovereenkomst met een beleggingsinstelling.
Door de Hoge Raad is uitgemaakt dat de aanbieder van aandelenleaseproducten de hele schade moet dragen als de aanbieder zaken heeft gedaan via een tussenpersoon terwijl zij wist of had moeten weten dat de tussenpersoon zich niet aan de regels hield. De Hoge Raad heeft deze beslissing gegeven in een geval dat de tussenpersoon onbevoegd advies had gegeven over een aandelenleaseproduct (a). De kern van de beslissing van de Hoge Raad is dat het de aanbieder van aandelenleaseproducten bij de verdeling van de schade wordt aangerekend dat zij contracteerde ondanks een wettelijk verbod.”
Daarom trekt de kantonrechter uit deze uitspraak de conclusie dat deze schadeverdeling geldt voor alle gevallen waarin de aanbieder wist of had moeten weten dat de tussenpersoon zich niet aan de regels hield. (…)”
Van advisering is sprake indien een aanprijzing wordt toegesneden op de persoonlijke financiële situatie en/of als een product (in dit geval een effectenleaseovereenkomst) als vanwege diens financiële situatie geschikt voor de betrokken persoon wordt aanbevolen. Dit veronderstelt dat niet slechts informatie wordt verschaft over mogelijke beleggingen, maar dat tevens een waardeoordeel wordt gegeven over de door de individuele cliënt te nemen beslissing. Dit moet worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval (vlg. AG Wissink in ECLI:NL:PHR:2019:1203, onder 4.21.2 en 4.22). Niet vereist is dat een objectieve analyse heeft plaatsgevonden van de financiële omstandigheden en behoeften van de potentiële afnemer.”
D. Hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARLFeiten: Afnemer heeft contact opgenomen met de tussenpersoon omdat hij een lening wilde. Vervolgens vond een bespreking plaats op het kantoor van de tussenpersoon, die zich presenteerde als deskundig adviseur op financieel gebied. Naar aanleiding van de wens van Afnemer om een lening aan te gaan, adviseerde de tussenpersoon hem een zogeheten “fiscaal-voordeel lening” te sluiten, een product van de tussenpersoon dat erop neer kwam dat enerzijds geld werd geleend en anderzijds een effectenleaseovereenkomst bij Dexia werd afgesloten. De medewerker adviseerde Afnemer de effectenleaseovereenkomst ‘Direct Rendement Effect’ aan te gaan en lichtte met een rekenvoorbeeld toe hoe middels de opbrengsten hiervan de lening kon worden afgelost Daarnaast konden de maandtermijnen voor de effectenleaseovereenkomst worden voldaan met het krediet, aldus de tussenpersoon. Omdat de afnemer vertrouwen had in de deskundigheid van de tussenpersoon en ervan uitging dat het advies in zijn belang was, heeft hij dit opgevolgd door de lening aan te gaan en genoemde overeenkomst te sluiten.
K. Hof Amsterdam 25 mei 2021 ECLI:NL:GHAMS:2021:1462Feiten: Afnemer is door eigen verzekeringsagent doorverwezen naar tussenpersoon.
ofde afnemer heeft eigener beweging contact gezocht met de tussenpersoon;
ofde afnemer had voorafgaande aan het onderhavige advies al een relatie met de tussenpersoon (bijvoorbeeld omdat laatstgenoemde de belastingaangifte placht te doen voor afnemer of had geadviseerd over verzekeringen of eerdere financieringen).
ofde tussenpersoon heeft de afnemer alleen telefonisch gesproken;
ofhet contact tussen afnemer en tussenpersoon is geheel schriftelijk verlopen.
ofde tussenpersoon heeft dit niet of nauwelijks gedaan.
ofde tussenpersoon heeft tijdens het adviesgesprek enkele berekeningen opgeschreven ter illustratie van de mogelijkheden en gevolgen van het afnemen van het betreffende product;
ofde tussenpersoon heeft geen (nieuwe) berekeningen gemaakt maar alleen een brochure overhandigd en een mondelinge toelichting gegeven.
ofde tussenpersoon heeft uitsluitend het uiteindelijk afgenomen effectenleaseproduct genoemd.
ofer is géén ander financieel product geadviseerd.
drie categorieënte onderscheiden, te weten:
Gelet op het voorgaande worden de volgende vragen gesteld:
Bedankt voor uw aanvraag (…)
Het gaat immers om een geval waarin een professionele financiële instelling een complex financieel product aan het beleggend publiek aanbiedt zonder eigen specifieke voorlichting aan de potentiële particuliere belegger. Juist in een zodanige verhouding moet de particuliere belegger kunnen vertrouwen op de deskundigheid en onpartijdigheid van de door hem ingeschakelde beleggingsadviseur.De rechtbank leidt daaruit af dat de vergunningplicht in NR 1999 en de verplichting van Dexia om zich te onthouden van het aangaan van overeenkomsten via tussenpersonen (cliëntenremisiers) die daarmee in strijd handelen, (mede) is bedoeld ter bescherming van de belegger – in dit geval de consument aan wie een effectenleaseproduct wordt aangeboden – ook tegen eigen onvoorzichtigheid. Dan is verdedigbaar dat die bescherming ook behoort te gelden voor afnemers die ten onrechte hebben vertrouwd op mededelingen en publieke uitlatingen van tussenpersonen dat zij deskundig en betrouwbaar zijn en, al dan niet onder invloed van de marketing- en verkooptechnieken van de tussenpersoon, eigen onderzoek hebben nagelaten waar zij hadden kunnen vermoeden dat de tussenpersoon zich (mede) liet leiden door het eigen commerciële belang en/of dat van Dexia.
B. hetgeen de afnemer gelet op alle omstandigheden, waaronder de wijze waarop hij in contact is gekomen met de tussenpersoon, omtrent de deskundigheid en onafhankelijkheid van de tussenpersoon (cliëntenremisier) (en daarmee van de waarde van diens advies) mocht verwachten.
a. een vergunningplichtig advies door een cliëntenremisier die niet over een vergunning beschikte, en/of
b. een order die is aangebracht door een tussenpersoon die niet beschikte over de daarvoor benodigde vergunning,
reeds volgt dat (indien Dexia daarvan wist of behoorde te weten) door toepassing van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW Pro alle schade door Dexia moet worden gedragen?
De werkzaamheden waarvoor de richtlijn beleggingsdiensten een vergunning voorschrijft, zijn opgenomen onder de punten 1 tot en met 4 van deel A van de bijlage bij de richtlijn. In het wetsvoorstel zijn de werkzaamheden onder de punten 1a en 1b van deel A van de bijlage bij de richtlijn begrepen onder de definitie van het begrip effectenbemiddelaar in artikel 1, onderdeel b, onder 1°, 2° en 5°. Hierbij worden de volgende kanttekeningen gemaakt. Anders dan in de omschrijving onder punt 1a van deel A van de bijlage bij de richtlijn zijn de zogeheten cliëntenremisiers (instellingen die beleggers aanbrengen bij andere effecteninstellingen) begrepen in de definitie van artikel 1, onderdeel b, onder 1° en 5°, van het wetsvoorstel.” In navolging van het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), wordt derhalve geen aanleiding gezien van de hierboven weergegeven uitgangspunten af te wijken dan wel prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie te stellen.