ECLI:NL:RBOVE:2024:5293
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroepen tegen invordering dwangsommen onzelfstandige bewoning panden in Deventer
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft vier beroepen van eiser tegen het college van burgemeester en wethouders van Deventer over de invordering van dwangsommen wegens het niet beëindigen van onzelfstandige bewoning in meerdere panden en tegen een nieuw opgelegde last onder dwangsom.
De rechtbank oordeelt dat het intrekken van de Huisvestingsverordening 2019 en de inwerkingtreding van de Huisvestingsverordening 2022 geen invloed heeft op de bevoegdheid van het college tot invordering van dwangsommen. De eerste last onder dwangsom is terecht gebaseerd op overtreding van de toen geldende verordening. Het college heeft voor twee panden niet voldoende aangetoond dat sprake was van overtreding, omdat niet is vastgesteld dat deze panden direct voorafgaand zelfstandige woonruimte waren. Tevens is het college onvoldoende gemotiveerd over het gelijkheidsbeginsel voor deze panden.
Daarom zijn de beroepen tegen de invordering van dwangsommen voor deze panden gegrond. Voor de overige panden en het nieuwe dwangsombesluit blijft de rechtbank bij het standpunt dat de dwangsommen terecht zijn ingevorderd. De rechtbank vernietigt de besluiten op bezwaar over de invorderingsbesluiten II en III en draagt het college op nieuwe besluiten te nemen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten voor de gegronde beroepen.
Uitkomst: Beroepen tegen invordering dwangsommen voor twee panden gegrond, overige beroepen ongegrond; besluiten II en III vernietigd, nieuwe besluiten vereist.