ECLI:NL:RVS:2020:2520
Raad van State
- Hoger beroep
- J.E.M. Polak
- H.C.P. Venema
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens onttrekking woonruimte zonder vergunning in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 16 november 2018 aan appellant een bestuurlijke boete van € 20.500,- op wegens het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning, in strijd met artikel 21 van Pro de Huisvestingswet 2014. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit en matigde de boete tot € 10.250,-. Het college stelde hoger beroep in tegen deze matiging en appellant incidenteel hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de boete heeft gematigd. De Afdeling bevestigt dat het onttrekken van woonruimte zonder vergunning een ernstige overtreding is, gelet op de schaarse woningvoorraad en de druk op de woningmarkt. De rechtbank heeft onvoldoende bijzondere omstandigheden vastgesteld die matiging rechtvaardigen. Ook het betoog van appellant dat sprake zou zijn van permanente bewoning door een huurder wordt verworpen, omdat de verklaring van de huurder over haar verblijf consistent en overtuigend was.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van het college gegrond, het incidenteel hoger beroep van appellant ongegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep bij de rechtbank ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De bestuurlijke boete van € 20.500,- blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en de boete van € 20.500,- blijft gehandhaafd.