ECLI:NL:RVS:2019:3650
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens onttrekking woning aan bestemming tot bewoning zonder vergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan [appellante], die zich bezighoudt met woningbemiddeling en verhuur aan arbeidsmigranten, een boete van €20.500,- op wegens overtreding van artikel 21 van Pro de Huisvestingswet. Dit betrof het onttrekken van een woning aan de bestemming tot bewoning zonder vergunning, waarbij de woning kortdurend (short stay) werd verhuurd aan voornamelijk Oost-Europese arbeidsmigranten.
Na een melding over woonfraude en een onaangekondigd huisbezoek concludeerde het college dat de woning niet duurzaam werd bewoond. Geen van de bewoners stond ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) en de huurovereenkomsten waren tijdelijk, met een maximale duur van zes maanden. De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond en handhaafde de boete.
In hoger beroep stelde [appellante] dat de woning wel degelijk permanent werd bewoond, omdat huurovereenkomsten van minimaal zes maanden waren afgesloten en de intentie bestond om langer te verblijven. De Afdeling oordeelde echter dat de inschrijving in de Brp essentieel is voor permanente bewoning en dat de huurovereenkomsten expliciet tijdelijke bewoning en short stay aangeven. De verklaringen van huurders en het rapport van toezichthouders bevestigden dit.
Ook het verzoek tot matiging van de boete werd afgewezen, omdat de overtreding niet minimaal was en het verkrijgen van een omzettingsvergunning en certificering niet relevant waren voor de boete wegens onttrekking aan de bestemming tot bewoning. De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €20.500,- wordt bevestigd.