Eiser ontving vanaf 2007 een WAO-uitkering en meldde in 2017 vrijwilligerswerk van acht uur per week. Uit onderzoek bleek dat hij vanaf 2014 feitelijk werkzaamheden verrichtte voor het bedrijf van zijn echtgenote, waaronder klantenbegeleiding, administratieve taken en vertegenwoordiging, zonder dit te melden.
Het UWV schatte de inkomsten van eiser gelijk aan het loon van zijn echtgenote en besloot de uitkering over de periode 2014-2021 te herzien en terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiser stelde dat zijn werkzaamheden vrijwillig waren en beperkt in omvang, en dat het UWV nalatig was in het vragen om aanvullende informatie.
De rechtbank oordeelde dat eiser loonvormende arbeid verrichtte en dat zijn melding van vrijwilligerswerk niet naar waarheid was. De terugvordering is gerechtvaardigd omdat eiser bewust informatie heeft verzwegen. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard.