ECLI:NL:RBROE:2011:BU5841

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
25 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09 / 1387
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier Dassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 19 lid 2 WROArt. 229 lid 1 GemeentewetArt. 5 LegesverordeningArt. 25 lid 4 AWR
Verwijzingen
23 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding redelijke termijn bij legesheffing bouwvergunning en vrijstellingsprocedure

Eiser vroeg op 11 mei 2005 een bouwvergunning aan voor een garage of schuur, waarvoor vrijstelling van het bestemmingsplan nodig was. De gemeente Venray legde hem €700 leges op voor de vrijstellingsprocedure. Eiser maakte bezwaar tegen deze heffing en stelde dat zijn bezwaar niet door een bezwaarschriftencommissie was behandeld en dat hij niet was gehoord. Daarnaast stelde hij dat de leges niet in verhouding stonden tot de geleverde dienst en dat de redelijke termijn voor besluitvorming was overschreden.

De rechtbank stelde vast dat het bezwaar van eiser op 2 mei 2005 was ingediend en dat de gemeente pas op 21 augustus 2009 uitspraak op bezwaar deed, wat een overschrijding van bijna vier jaar betekent. Ook de rechtbank deed pas op 25 augustus 2011 uitspraak, wat een overschrijding van zes maanden betekent. De rechtbank volgde de criteria van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Centrale Raad van Beroep voor de redelijke termijnen in bezwaar en beroep.

De rechtbank oordeelde dat de legesheffing conform de geldende verordening en tarieventabel correct was en dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, waardoor het niet horen van eiser in bezwaar redelijk was. De overschrijding van de redelijke termijn leidt tot aanspraak op schadevergoeding, waarbij de termijnoverschrijding gelijkelijk wordt verdeeld tussen de gemeente en de Staat. De zaak werd doorverwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling over de schadevergoeding.

De rechtbank wees erop dat het niet tijdig herzien van het bestemmingsplan destijds geen gevolgen had voor de legesheffing. De procedure werd heropend om de Staat als mogelijke schadeplichtige partij te betrekken. Tegen deze beslissing staat geen zelfstandig rechtsmiddel open, hoger beroep is pas mogelijk met de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn voor besluitvorming is overschreden en verwijst de zaak door voor verdere behandeling met betrokkenheid van de Staat.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 09 / 1387
Uitspraak ex artikel 8:68 van Pro de Awb van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser
(gemachtigde: mr. M.M.H. van Kuijk),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Venray, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 23 september 2005 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een bedrag van € 700,= aan leges in rekening gebracht wegens het doorlopen van een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).
Bij besluit van 21 augustus 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Bruijns, verbonden aan Van den Bosch & partners te Sliedrecht.
Feiten
Eiser heeft op 11 mei 2005 een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een garage dan wel schuur op het perceel gelegen aan de [adres]. Deze vergunning is op 24 augustus 2005 aan eiser verleend.
Geschil en beoordeling
1. Eiser heeft – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat zijn bezwaarschrift
ten onrechte niet in handen is gesteld van een bezwaarschriftencommissie, dat zijn bezwaarschrift kennelijk nooit in behandeling is genomen door verweerder gezien de aanmaningen die verweerder naar hem is blijven sturen en dat hij ten onrechte niet is uitgenodigd voor een hoorzitting. Volgens eiser heeft verweerder geen belang meer bij het alsnog innen van de leges, nu het boekjaar 2005 inmiddels is afgesloten.
Verder heeft eiser aangevoerd dat de in verband met de voormelde aanvraag opgelegde heffing van de leges voor de vrijstellingsprocedure ex artikel 19, tweede lid, van de WRO niet gerechtvaardigd is. Het geldende bestemmingsplan is al meer dan 30 jaar oud en door laksheid en fouten van de gemeente Venray is er nog geen nieuw bestemmingsplan vastgesteld. Als gevolg hiervan dient eiser ten onrechte extra leges te betalen die niet in verhouding staan tot de geleverde dienst. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.
2. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, zoals dat artikel luidde ten tijde van de aanvraag van een bouwvergunning door eiser en voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan.
3. In artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet is bepaald dat rechten kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.
4. Artikel 2 van Pro de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2005
(de Legesverordening), vastgesteld bij raadsvergadering van 21 december 2004, bepaalt dat onder de naam ’leges’ rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.
5. Ingevolge artikel 5 van Pro de Verordening worden leges geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze Verordening behorende Tarieventabel. Het tweede lid van voormeld artikel bepaalt dat voor de berekening van de leges een gedeelte van een in de Tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid wordt aangemerkt.
6. Hoofdstuk 4: Afdeling Wonen en Werken, rubriek 1.5.3, van de Tarieventabel behorende bij de Legesverordening, eveneens vastgesteld bij raadsvergadering van
21 december 2004, bepaalt, voor zover van belang, dat indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwplan, waarvoor een vergunning moet worden verleend met toepassing van artikel19, tweede lid, van de WRO het berekende bedrag wordt verhoogd met € 700,=. Ingevolge rubriek 1.7.2, voor zover van belang, bedraagt het tarief ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vrijstelling van het geldende bestemmingsplan als bedoeld in 19, tweede lid, van de WRO € 700,=.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. Eiser heeft aangevoerd dat zijn bezwaarschrift ten onrechte niet in handen is gesteld van een bezwaarschriftcommissie. Uit artikel 2, eerste lid, van de Verordening commissie bezwaarschriften, vastgesteld bij raadsvergadering van 20 december 2005, blijkt dat er een commissie is ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. Uit het derde lid van voornoemd artikel blijkt echter dat die commissie niet bevoegd is ten aanzien van bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond van een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de Wet waardering onroerende zaken.
Voormelde verordening ziet dus niet op de bevoegdheden van de heffingsambtenaar.
Deze ontleent zijn bevoegdheden rechtstreeks aan de wet. De rechtbank verwijst in
dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 26 april 2002 (LJN: AE1967).
De beroepsgrond van eiser faalt gezien het voorgaande.
9. De enkele omstandigheid dat eiser aanmaningen is blijven ontvangen van verweerder is nog geen aanwijzing dat het bezwaarschrift nooit in behandeling is
genomen door verweerder. Blijkens artikel 6:16 van Pro de Awb schort het indienen van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag de daaraan gekoppelde belastingverplichting nog niet op. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen, waaruit blijkt dat het bezwaarschrift (op enig moment) in behandeling is genomen door verweerder.
10. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij nooit is uitgenodigd voor een hoorzitting. Ingevolge artikel 25, vierde lid, van de AWR, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bestreden besluit, wordt een bezwaarmaker in afwijking van artikel 7:2 van Pro de Awb op zijn verzoek gehoord. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een dergelijk verzoek niet is gedaan door eiser. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier echter dat eiser wel min of meer een dergelijk verzoek heeft gedaan, nu hij in zijn bezwaarschrift een onderhoud met een wethouder heeft geëist. Ondanks dit verzoek is eiser in de bezwaarfase niet gehoord. De rechtbank is van oordeel dat verweerder echter in redelijkheid van het horen van eiser in bezwaar heeft kunnen afzien op grond van het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, aangezien het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de conclusie. Gelet op hetgeen door eiser in bezwaar is aangevoerd deed naar het oordeel van de rechtbank deze situatie zich in casu voor.
11. De rechtbank overweegt voorts dat wat er ook zij van het al dan niet afgesloten zijn van een boekjaar, dit nog niet met zich brengt dat verweerder geen belang meer zou hebben bij inning van de opgelegde aanslag en eiser deswege de aan hem in rekening gebrachte leges niet meer zou hoeven te betalen.
12. Niet in geschil tussen partijen is dat het door eiser ingediende bouwplan voor
de bouw van een garage dan wel schuur strijdig was met het geldende bestemmingsplan. Evenmin in geschil is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aangevraagde bouwvergunning alleen kon worden verleend met vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Vervolgens heeft verweerder een bedrag van € 700,= wegens het doorlopen van de vrijstellingsprocedure als vorenvermeld aan eiser in rekening gebracht. Dit bedrag is aan de hand van voornoemde Tarieventabel bepaald en die bepaling is naar het oordeel van de rechtbank juist geschied, hetgeen overigens niet is bestreden door eiser. Dat volgens eiser de in rekening gebrachte kosten voor de vrijstellingsprocedure niet in verhouding staan tot de werkelijke kosten, maakt het voorgaande niet anders, nu ingevolge vaste jurisprudentie er geen verband hoeft te bestaan tussen de hoogte van de leges en de omvang van de dienst (zie onder andere BNB 1981/142).
13. Vervolgens overweegt de rechtbank dat het eerste lid van artikel 33 van Pro de WRO, zoals dat artikel luidde ten tijde van de aanvraag van een bouwvergunning door eiser en voor zover thans van belang, bepaalt dat een bestemmingsplan eenmaal in de tien jaren wordt herzien. De in dat artikel genoemde termijn vormde echter een termijn van orde en aan overschrijding ervan waren ten tijde hier van belang in het kader van de heffing van leges geen gevolgen verbonden. Het wetsvoorstel inhoudende – kort gezegd – dat geen leges geheven kunnen worden ter zake van bouwvergunningen in geval van overschrijding van de tienjaarstermijn waarbinnen bestemmingsplannen (opnieuw) dienen te worden vastgesteld (TK 2003-2004, nr 28916), heeft eerst op 1 juli 2008 kracht van wet gekregen. Nu het belastbare feit, te weten het doen van een bouwaanvraag, heeft plaatsgevonden in 2005 dient de heffing van de leges getoetst te worden aan de regelgeving zoals die destijds in 2005 gold. Uit het systeem van de Gemeentewet en de Legesverordening volgde ten tijde van de aanvraag van een bouwvergunning door eiser (nog) niet dat de niet tijdige herziening met zich brengt dat voor de behandeling van een verzoek om vrijstelling krachtens
artikel 19, tweede lid, van de WRO geen leges mochten worden geheven. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 januari 2009 (LJN: BH0517).
14. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, van het EVRM is overschreden, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2011 (LJN: BO5046) blijkt dat bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden ook bij belastingzaken moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in de uitspraak van de Hoge Raad
van 22 april 2005 (LJN: AO9006). De in aanmerking te nemen termijn vangt volgens de Hoge Raad in beginsel aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser reeds op
2 mei 2005 een e-mail heeft verstuurd naar de gemeente Venray waarin hij heeft verzocht om vrijstelling van de legeskosten wegens het doorlopen van een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Partijen zijn het met elkaar eens dat deze e-mail als bezwaarschrift dient te worden aangemerkt en dat eiser overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook in dat bezwaar kon worden ontvangen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarover anders te oordelen. De redelijke termijn is derhalve aangevangen op 2 mei 2005.
15. Vervolgens overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen (zie LJN:AO9006). Nu sinds 2 mei 2005 thans bijna zes jaar en vier maanden zijn verstreken en gesteld noch gebleken is van bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn is verstreken. Overschrijding van de
redelijke termijn leidt tot aanspraak op schadevergoeding. Als uitgangspunt voor de schadevergoeding dient een tarief te worden gehanteerd van € 500,= per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
16. De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding om de behandeling van het beroep te heropenen teneinde de Staat als mogelijk schadeplichtige partij in de gelegenheid te stellen om aan het geding deel te nemen en een standpunt in te nemen ten aanzien van de vraag of een gedeelte van de termijnoverschrijding aan de Staat is toe te rekenen en zo ja, hoe groot het aandeel van de Staat in dat geval is. Ook verweerder dient in de gelegenheid te worden gesteld zich daarover nader uit te laten. De rechtbank verwijst de zaak daartoe naar de meervoudige kamer en bepaalt dat de behandeling ter zitting zal worden hervat op
5 oktober 2011 om 14.00 uur.
Beslissing
De rechtbank:
- heropent het onderzoek ter zitting;
- bepaalt dat de behandeling op de wijze zoals overwogen onder 16 wordt voortgezet.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier Dassen, rechter, in aanwezigheid van mr. K.M.A.W. Kusters van Mulken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2011.
w.g. mr. K.M.A.W. Kusters van Mulken,
griffier w.g. mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier Dassen,
rechter
Voor eensluidend afschrift:
de griffier,
Afschrift verzonden aan partijen op: 25 augustus 2011
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen zelfstandig rechtsmiddel open. Eerst tegelijk met de einduitspraak kan hoger beroep worden ingesteld.