ECLI:NL:RBROT:2013:BZ8784
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens overtreding rookverbod in horecagelegenheid bevestigd ondanks niet-werkzame partner
Eiser werd een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet, omdat tijdens een controle in zijn café een vrouw achter de bar werd aangetroffen die volgens de minister als personeel moest worden aangemerkt. Eiser stelde dat deze vrouw zijn vriendin was en geen werknemer, en dat hij niet als werkgever in de zin van de Tabakswet moest worden gezien.
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser als werkgever moest worden aangemerkt en dat het proces-verbaal niet ondubbelzinnig aangaf dat de vrouw als personeel fungeerde. Daarom werd de boete wegens overtreding van artikel 11a, eerste lid, vernietigd.
Echter, de rechtbank stelde vast dat eiser als beheerder van de horecagelegenheid verplicht was een rookverbod in te stellen en te handhaven volgens artikel 11a, vierde lid, van de Tabakswet. Tijdens de controle werd vastgesteld dat er werd gerookt in twee ruimtes die groter waren dan 70 m2, waardoor de uitzondering voor zelfstandigen zonder personeel niet van toepassing was. De boete voor het niet handhaven van het rookverbod bleef daarom in stand.
De rechtbank wees ook op het ontbreken van matigingsgronden en handhaafde het boetebedrag van € 600,00. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Uitkomst: Boete wegens overtreding rookverbod gehandhaafd, boete wegens werkgeverschap vernietigd.