Appellanten ontvingen bijstand sinds juni 2017, maar na een anonieme melding over de verkoop van raskatten startte de gemeente Kerkrade een onderzoek. Uit het onderzoek bleek dat appellanten inkomsten uit de kattenfokkerij niet hadden gemeld, wat leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van ruim €18.000. Diverse aanvragen om bijstand en bijzondere bijstand werden afgewezen vanwege onduidelijkheid over de financiële situatie en het ontbreken van bankafschriften van de zoon.
De rechtbank verklaarde de beroepen grotendeels ongegrond, maar oordeelde dat de aanvraag niet onvolledig was vanwege het ontbreken van de bankafschriften. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college het recht op bijstand over de periode tot 21 juni 2018 schattenderwijs moet vaststellen, waarbij een terugvordering van €11.500 passend is. Vanaf die datum wordt de bijstand ingetrokken wegens onvoldoende gegevens.
Voor latere perioden konden appellanten geen wijziging van omstandigheden aantonen en bleef de kattenfokkerij actief, waardoor aanvragen werden afgewezen. De buitenbehandelingstelling van de aanvraag van oktober 2019 wordt vernietigd en bijstand toegekend vanaf die datum. De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.