ECLI:NL:RBROT:2021:6477
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheid en bevoegdheid medisch onderzoek in Ziektewetzaak
Eiser was werkzaam als algemeen medewerker bouwplaats en ontving een Ziektewetuitkering. Verweerder beëindigde deze uitkering per 20 januari 2020 na een medisch onderzoek door een verzekeringsarts. In bezwaar werd het onderzoek herhaald door een arts in opleiding tot verzekeringsarts, met contraseign van een verzekeringsarts, die oordeelde dat eiser geschikt was voor zijn maatgevende arbeid gezien de verlichtende omstandigheden in zijn functie.
Eiser stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat alleen een verzekeringsarts bevoegd is voor het medisch onderzoek, niet een arts in opleiding. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 28 ZW Pro en de Controlevoorschriften ook een arts in opleiding tot verzekeringsarts bevoegd is, mits geregistreerd, en dat het rapport digitaal was gecontrasigneerd door een verzekeringsarts. De rechtbank vond het onderzoek zorgvuldig en de maatstaf “zijn arbeid” correct toegepast.
De rechtbank concludeerde dat de klachten van eiser niet wezenlijk waren veranderd en dat hij met zijn klachten tot het einde van zijn dienstverband heeft kunnen werken. De aanvullende medische stukken betroffen grotendeels perioden na de datum in geding en boden geen aanleiding tot een ander oordeel.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV dat eiser geen recht meer heeft op Ziektewetuitkering vanaf 20 januari 2020.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt gehandhaafd.