Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 oktober 2023 in de zaken tussen
de Minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (hierna: de Minister)
Inleiding
- Huawei Technologies (Netherlands) B.V., de daaraan gelieerde ondernemingen Huawei Technologies Coöperatief U.A. en Huawei Investment & Holding Co. Ltd. alsook de overige ondernemingen die groepsmaatschappij zijn in de groep van Huawei Investment & Holding Co. Ltd. (tezamen: Huawei), en waarvan producten of diensten aan eiseres kunnen worden geleverd;
- ZTE Netherlands B.V., de daaraan gelieerde ondernemingen ZTE Coöperatief U.A. en ZTE Corporation, alsook de overige ondernemingen die groepsmaatschappij zijn in de groep van ZTE Corporation (tezamen: ZTE) en waarvan producten of diensten aan eiseres kunnen worden geleverd.
T-Mobile geen voorschot in het kader van nadeelcompensatie toe te kennen.
Wettelijk kader
Totstandkoming van de besluiten 1 en 2
Beoordeling
Artikel 11a.1 van de Tw biedt geen grondslag om maatregelen te nemen ten behoeve van de nationale (economische) veiligheid, aangezien het artikel (en hoofdstuk 11a van de Tw) uitsluitend betrekking heeft op veiligheid en de integriteit van het netwerk vanuit de optiek van de continuïteit, en niet ziet op de bescherming van belangen die de nationale (economische) veiligheid aangaan noch op maatregelen die gericht zijn op het voorkomen en/of bestrijden van risico’s op spionage en sabotage. T-Mobile weerspreekt in dit verband het standpunt van de Minister dat de bewoordingen en de strekking van artikel 11a.1 Tw bij de totstandkoming in 2010 bewust algemeen zijn gehouden om te kunnen inspelen op (onzekere) toekomstige ontwikkelingen. Omdat er in het verleden op het terrein van spionage meermaals incidenten zijn geweest hadden de Minister en de wetgever kunnen zien en onderkennen dat spionage en sabotage risico’s zijn voor (vitale) netwerken en de daarover aangeboden diensten. Juist bij een ingrijpende en beladen dreiging als spionage of sabotage ligt het voor de hand om – ter afwending daarvan – een specifieke wettelijke grondslag te creëren. Nergens uit de wettekst of wetsgeschiedenis van artikel 11a.1 van de Tw blijkt dat ook toekomstige en/of nieuwe (onbekende) risico’s onder reikwijdte vallen. Dat zou zich ook niet verhouden met het legaliteitsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel. Uit het wettelijk kader en de wetsgeschiedenis blijkt duidelijk wat (in ieder geval) wél met veiligheid bedoeld is. In de wetsgeschiedenis wordt immers gesproken over ‘een technische storing of uitval van het elektriciteitsnetwerk’. Ook bij artikel 11a.2 Tw zijn de voorbeelden veel minder verstrekkend dan spionage en sabotage (het artikel betreft overigens de meldplicht, maar valt net als artikel 11a.1 Tw onder Hoofdstuk 11a Tw over de continuïteit). Daarin wordt namelijk gesproken over uitval ten gevolge van beschadiging van het netwerk door graafwerkzaamheden. Maar ook aan uitval ten gevolge van een uitval van de elektriciteitsvoorziening (Kamerstukken II 2010/11, 32 549, nr. 3 blz. 82-83). Deze voorbeelden uit de wetsgeschiedenis illustreren voor welk type veiligheidsincidenten artikel 11a.1 van de Tw in het leven geroepen is, maar maken ook duidelijk dat het een wel heel extensieve interpretatie van het begrip veiligheid vergt om digitale spionage en/of de nationale veiligheid ook daaronder te scharen.
De verplichtingen die (middellijk) uit het vierde lid of (rechtstreeks) uit het vijfde lid volgen, vormen daarmee een nadere inkleuring van de hiervoor genoemde inspanningsverplichting. Daaruit volgt immers welke maatregelen aanbieders in elk geval moeten treffen om aan hun inspanningsplicht te voldoen. De rechtbank is verder van oordeel dat het Bvit geen zelfstandige verruiming van de begrippen veiligheid en integriteit bevat, omdat de daarin geregelde onderwerpen vallen binnen de reikwijdte van artikel 13 bis Pro van de aangepaste Kaderrichtlijn en artikel 11a.1 van de Tw (vgl. ECLI:NL:CBB:2005:AU1360, punt 4.3). Het ter zitting door T-Mobile gestelde over vrij verkeer van goederen of diensten laat de rechtbank onbesproken omdat zij van oordeel is dat T-Mobile dit tardief heeft aangevoerd.
T-Mobile in de daarbij aangewezen onderdelen van diens netwerk of bijbehorende faciliteiten uitsluitend gebruik maakt van producten of diensten van anderen dan de daarbij door de Minister genoemde partij als bedoeld onder a of b van dat tweede lid. De rechtbank stelt vast dat de Minister bij zijn oordeelsvorming niet over één nacht ijs is gegaan, want hij heeft de Taskforce verzocht om aan te geven of en welke onderdelen – de zogenoemde TBB-kritieke onderdelen – van het netwerk van T-Mobile vervangen zouden moeten worden. De Minister heeft een vergewisplicht of dit niet wettelijke verplichte advies van de Taskforce zorgvuldig tot stand is gekomen (artikel 3:2 van Pro de Awb). De rechtbank is van oordeel dat de Minister zich mocht baseren op het rapport van 16 mei 2019. Van een onzorgvuldige totstandkoming van dit rapport is de rechtbank niet gebleken. Gemotiveerd is daarin wat TBB-kritieke onderdelen in het netwerk van T-Mobile zijn en welke risico’s als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Bvit optreden als deze niet worden vervangen.
De stelling van T-Mobile dat niet per telecomaanbieder een analyse is uitgevoerd waarin is nagegaan in hoeverre, gelet op de door hen reeds getroffen maatregelen, een aanvullende maatregel als de onderhavige nodig was om de geconstateerde risico’s te beheersen, mist feitelijke grondslag. Met elk van de betrokken telecomaanbieders is namelijk individueel een eendaagse technische sessie geweest om te bezien welke onderdelen van hun infrastructuur kritiek zijn en welke maatregelen zijn getroffen of aanvullend kunnen worden getroffen om misbruik van de kritieke onderdelen te voorkomen dan wel te detecteren. Vervolgens is door de technische werkgroep, bestaande uit specialisten van TNO, het Agentschap Telecom, het ministerie, de veiligheidsdiensten, het Nationaal Cyber Security Centrum en de NCTV, voor elk van de dreigingsscenario’s beoordeeld in hoeverre misbruik van een TBB-kritiek onderdeel kan worden voorkomen dan wel gedetecteerd door maatregelen die de telecomaanbieders reeds hebben genomen en in hoeverre dit kan worden verbeterd door aanvullende technische of procedurele maatregelen. De technische werkgroep heeft geconcludeerd dat T- Mobile in de kritieke onderdelen van haar netwerk gebruik maakt van apparatuur en programmatuur van niet vertrouwde leveranciers waardoor het risico zeer moeilijk beheersbaar kan worden gemaakt met technische en procedurele maatregelen en er dus aanleiding is om specifieke apparatuur en diensten te weren. De resultaten van de technische werkgroep zijn aan de telecomaanbieders toegelicht, enerzijds om hen te informeren en anderzijds om te toetsen of zij de onderbouwing inhoudelijk juist vinden. Tevens is hen de gelegenheid gegeven te reageren op een concept van het rapport. De stelling van T-Mobile dat de Minister had moeten laten uitzoeken of met minder ingrijpende maatregelen kon worden volstaan, volgt de rechtbank dan ook niet.
Nadat eenmaal de risico’s waren geïdentificeerd, zoals die ook zijn beschreven in de bijlage bij het voornemen tot het besluit van 23 april 2021, lag het in de rede dat de Minister tot zijn oordeel zou komen dat TBB-kritieke onderdelen vervangen zouden moeten worden. De omstandigheid dat T-Mobile op basis van haar eigen analyse meende dat zij kon uitfaseren op haar 4G netwerk en slechts maatregelen hoefde te treffen op haar 5G netwerk, maakt niet dat de oordeelsvorming van de Minister onzorgvuldig is, temeer nu de Minister over meer informatie beschikte dan waarover T-Mobile beschikte toen zij haar eigen risico-inschatting maakte.
T-Mobile stelt – in redelijkheid de kosten van de totale T-Mobile groep in Nederland tot uitgangspunt kunnen nemen. De schade manifesteert zich op het niveau van de groep in Nederland, terwijl het moeilijk zal zijn om de kosten aan een specifiek bedrijfsonderdeel toe te rekenen (vgl. ECLI:NL:RVS:2013:BZ3968). Daar komt bij dat de maatregel voorziet in een vervangingstermijn van [...]. Dit betekent dat T-Mobile kan profiteren van een afschrijvingstermijn, ook al zal die korter zijn dan de vervangingstermijn zelf. Ook als uitgegaan wordt van een kortere termijn van [...] voor de vervanging, dan blijft
T-Mobile nog steeds steken op een drempel van 2%. Dit betekent dat drempel van 4% niet in zicht komt, terwijl een dergelijke drempel de rechtbank niet onredelijk voorkomt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ook in het omgevingsrecht met een drempel wordt gewerkt (bijv. ECLI:NL:RVS:2019:3121, punt 14 en ECLI:NL:RVS:2020:2717, punten 38 - 40), terwijl niet valt in te zien waarom in het kader van maatregelen die worden opgelegd op basis van wetgeving die mede is gericht op marktregulering niet ook tenminste een beperkte drempel zou mogen worden gehanteerd bij het beoordelen van verzoeken om nadeelcompensatie. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in het nadeelcompensatiekader de toepassing van een drempel is gemotiveerd en die gelijkelijk wordt toegepast op alle gevallen waarin een maatregel is opgelegd op basis van het Bvit. Dat het in absolute zin gaat om een fors bedrag, maakt niet dat geen drempel zou mogen worden gehanteerd die is gerelateerd aan een percentage van de totale kosten. De rechtbank betrekt hierbij voorts dat T-Mobile de (eveneens in absolute zin forse) winst die zij gedurende de vervangingstermijn maakt, kan aanwenden om deze kosten te dekken.
T-Mobile niet baten. De afschrijving die T-Mobile zal moeten doen ziet op een periode van […] en vormt een fractie van haar omzet. De enkele omstandigheid dat niet alle aanbieders worden geconfronteerd met een dergelijke maatregel maakt niet dat reeds daarom sprake is van (ontoelaatbare) marktverstoring.
Conclusie en gevolgen
T-Mobile in die procedure tot een bedrag van € 2.511 (een tarief van € 837 per punt, waarbij 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van toepassing is, dit tegen een weging van 1,5 punt wegens de zwaarte van de zaak).
Beslissing
- verklaart het beroep tegen besluit 1 ongegrond;
- verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond;
- vernietigt besluit 2 voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek om vergoeding van de kosten die T-Mobile heeft gemaakt die verband houden met haar aanvraag om nadeelcompensatie;
- bepaalt dat de Minister alsnog beslist op dit onderdeel van de aanvraag;
- bepaalt dat de Minister het door T-Mobile in de zaak ROT 23/1076 betaalde griffierecht van € 365 aan haar vergoedt;
- bepaalt dat de Minister de proceskosten van T-Mobile vergoedt tot een bedrag van