Uitspraak
Datum uitspraak: 16 februari 2022
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
Appellant exploiteert een agrarisch bedrijf nabij de Eckeltsebeek die in 2005 is heringericht, wat leidde tot een verhoogd waterpeil en schade aan zijn landbouwgronden. Hij vroeg nadeelcompensatie, die het waterschap Limburg deels toekende met toepassing van een kapitalisatiefactor 10 en een korting van 10% wegens normaal ondernemersrisico.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij stelde onder meer dat het waterschap ten onrechte geen vergoeding gaf voor belastingschade, dat de kapitalisatiefactor te laag was en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden.
De Afdeling oordeelde dat het waterschap terecht de kapitalisatiefactor 10 hanteerde en de korting van 10% mocht toepassen. Ook werd geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden. Wel werd vastgesteld dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat belastingschade niet vergoed kon worden, omdat deze schadepost rechtstreeks verband houdt met de nadeelcompensatie.
Daarom vernietigde de Afdeling het deel van de uitspraak dat belastingschade uitsloot en droeg het waterschap op binnen vier weken na ontvangst van een belastingdocument een nieuw besluit te nemen over de vergoeding van belastingschade. Verder werd het waterschap veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Het geschil over belastingschade wordt daarmee opnieuw behandeld, terwijl de rest van de uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is deels gegrond verklaard en het besluit over belastingschade vernietigd met opdracht tot nieuw besluit.