Eiseres had bezwaar gemaakt tegen een korting van 12% op haar AOW-pensioen, omdat de SVB had vastgesteld dat zij tussen 15 april 2004 en mei 2010 niet in Nederland maar in Essen, België verbleef. De SVB baseerde dit op een onderzoek en een gesprek met eiseres en haar partner, waarbij werd vastgesteld dat zij hun hoofdverblijf in België hadden, ondanks inschrijving in de Nederlandse BRP bij de dochter in Barendrecht.
Eiseres voerde aan dat de recreatiewoning in België pas in 2007 was opgeleverd en dat zij daarom vanaf 2004 niet haar hoofdverblijf daar kon hebben. Ook stelde zij dat het gespreksverslag onjuistheden bevatte en dat zij feitelijk in Nederland verbleef. De rechtbank vond echter het gespreksverslag betrouwbaar en oordeelde dat de aanwezigheid van een stacaravan op het perceel in België sinds 1996 en het feit dat persoonlijke spullen en administratie daar werden bewaard, wijzen op een duurzaam verblijf in België.
De rechtbank concludeerde dat eiseres geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had in de betreffende periode en daarom niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt. De SVB handhaafde de korting op het pensioen terecht. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard, en zij kreeg geen proceskostenvergoeding.