ECLI:NL:CRVB:2021:1898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering volledige AOW wegens ontbreken duurzame band met Nederland
Appellant had in de periode van 16 december 1998 tot en met 24 juni 2003 geen AOW-verzekering omdat hij niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had op basis van een pensioenoverzicht vastgesteld dat appellant in die periode niet verzekerd was en kende hem daarom slechts 92% van het maximale ouderdomspensioen toe. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank Noord-Holland oordeelde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat hij in die periode een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Appellant voerde aan dat hij in Europa had rondgezworven, geen vaste woonplaats buiten Nederland had, en zelfs in zijn auto had gewoond. Desondanks was hij uitgeschreven uit het bevolkingsregister en had hij geen werk of uitkering in Nederland.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Uit jurisprudentie volgt dat ingezetenschap afhangt van het bestaan van een duurzame persoonlijke band met Nederland. Gezien de feiten, waaronder het verblijf buiten Nederland en het ontbreken van een duurzame woonruimte, was deze band niet aanwezig. Het feit dat appellant in zijn auto verbleef of een postbusadres had, was onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van een volledig AOW-pensioen bevestigd.