Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 2 april 2021;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 24 februari 2022;
- het aanvullende verweerschrift tevens aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 31 mei 2022;
- het verweerschrift op het aanvullend zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 25 januari 2023;
- het verweerschrift op het aanvullend verzoek tevens aanvullend zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 27 februari 2023;
- het verweerschrift op aanvullende zelfstandige verzoeken van de man, ingekomen op 6 oktober 2023;
- het bericht met bijlagen van de man van 6 oktober 2023, tevens houdende wijziging van verzoeken;
- het bericht met bijlagen van de vrouw van 6 oktober 2023.
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
2.De vaststaande feiten
3.De beoordeling
(redactie: in de beschikking staat abusievelijk dat partijen op 10 mei 1999 huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, het juiste jaartal is 1991)inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen (artikel 1) met daaraan gekoppeld een huishoudkostenregeling (artikel 2) en een periodiek verrekenbeding (artikel 3).
- de echtelijke woning aan de [adres 1] te Rotterdam (hierna: [adres 1] ) aan de man wordt toegedeeld tegen een waarde van € 1.341.000,-, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de daaraan verbonden (eigen woning) hypotheekschuld bij Svenska Handelsbanken BA;
- het onroerend goed aan de [straatnaam 3] a. en b. te Rotterdam (hierna: [straatnaam 3] ) aan de man wordt toegedeeld tegen een waarde van € 390.000,-, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de daaraan verbonden (beleggings)hypotheekschuld bij Svenska Handelsbanken BA;
- bij het vaststellen van de vordering van de vrouw op de man uit hoofde van overbedeling van de man rekening te houden met:
primaireen draagplicht van partijen bij helfte voor de (beleggings-) hypotheekschuld;
subsidiaireen draagplicht van partijen bij helfte voor een gedeelte van de (beleggings)hypotheekschuld met een beloop van 34,6% ofwel € 335.854,-;
meer subsidiaireen draagplicht van partijen bij helfte voor een gedeelte van de (beleggings)hypotheekschuld met een beloop van € 188.319,-;
De echtelijke woning aan de [adres 1]
De onroerende zaak gelegen aan de [straatnaam 3]
Het saldo op de gezamenlijke bankrekening bij Svenska Handelsbanken BA
.Ondanks deze verklaringen blijft onduidelijk of partijen onderscheid hebben willen maken tussen de jaren waarin er wel of geen inkomsten waren uit arbeid. Uit de gedragingen blijkt dit evenmin. Partijen hebben namelijk nooit periodiek verrekend. Ook niet in de jaren dat inkomsten uit arbeid aanwezig waren. Gelet op wat partijen hierover hebben verklaard, lijkt het er op dat partijen ten tijde van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden de latere situatie, dat partijen niet meer zouden leven van inkomen uit arbeid maar van inkomen uit onderneming en inkomen uit vermogen, niet hebben voorzien. Daarmee hebben zij dus ook niet met de keuze van de term ‘inkomen uit arbeid’ weloverwogen gekozen om het te verrekenen vermogen expliciet te beperken tot wat alleen uit inkomen uit arbeid zou worden verdiend. De man heeft daarnaast nog tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hij dit inzicht, dat het periodieke verrekenbeding zich beperkt tot ‘inkomsten uit arbeid’, pas kreeg toen hij dit hoorde van zijn advocaat. Partijen hebben dus destijds niet bewust gekozen voor een beperkt begrip van ‘inkomsten uit arbeid’. Gelet op dit geheel is de rechtbank van oordeel dat het begrip ‘inkomsten uit arbeid’ in dit specifieke geval ruim uitgelegd moet worden en ook de huurinkomsten kunnen worden gekwalificeerd als inkomen in het kader van de huwelijkse voorwaarden.
- de vastgoedportefeuille met (verhuurde) onroerende zaken op naam van de man;
- het saldo op haar privérekening met nummer [rekeningnummer 2] ;
- de saldi op de bankrekeningen op naam van de man met de nummers [rekeningnummer 3] , [rekeningnummer 4] , [rekeningnummer 5] betaalrekening, [rekeningnummer 6] flexibel spaarrekening;
- de waarde van de effectenportefeuille op naam van de man bij De Giro (door haar geschat op € 1.247.894,-);
- de Volvo V90 met kenteken [kentekennummer 2] die op naam staat van de man.
- a) [adres 8] ;
- b) [adres 9] ;
- c) [adres 10] ;
- d) [straatnaam 9] 113a en b op de hoek van en aan de [adres 3] ;
- e) [adres 11] ;
- f) [adres 12] .
- € 35.000,- aangebracht bij het aangaan van het huwelijk,
- € 3.970,- afkoopsom van een AXA polis,
- € 3.187,- uitkering van een levensverzekering op naam van een oom van de man,
- € 267.036,-, erfenis van de ouders van de man,
- € 2.000,-, schenking van een tante van de man,
- € 41.248,- erfenis van een tante van de man, en
- € 10.377,- afkoopsom van een kapitaalverzekering bij Achmea .
4.De beslissing
1 mei 2024 PRO FORMA;