ECLI:NL:RBROT:2024:6220

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 juni 2024
Publicatiedatum
4 juli 2024
Zaaknummer
24/4767
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.C.W. van der Feltz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6.7 Wet hersteloperatie toeslagenAfdeling bestuursrechtspraak uitspraak 23 augustus 2023 ECLI:NL:RVS:2023:3209Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt niet tijdig besluit kinderopvangtoeslag en legt dwangsom op

Eiseres heeft een verzoek ingediend bij de Belastingdienst om herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst heeft de beslistermijn overschreden, ondanks een ingebrekestelling van eiseres. De rechtbank stelt vast dat het beroep gegrond is wegens het uitblijven van een besluit.

De rechtbank verwijst naar de Wet hersteloperatie toeslagen en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023. De Belastingdienst wordt opgedragen binnen zeven weken na verzending van deze uitspraak een schriftelijke vooraankondiging te doen en binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze of het verstrijken van zes weken een besluit over compensatie te nemen.

De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding van deze termijnen. Tevens wordt de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van €437,50. De rechtbank oordeelt dat de zaak van licht gewicht is en past een wegingsfactor van 0,5 toe bij de proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de Belastingdienst wordt opgedragen binnen vastgestelde termijnen een vooraankondiging en besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4767
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2024 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres,

gemachtigde: mr. S. Arakelyan,
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bij verweerder een verzoek gedaan om herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag.
Verweerder heeft op 31 januari 2024 een ingebrekestelling ontvangen.
Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.
Verweerder heeft op 21 mei 2024 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
Eiseres heeft zich gemeld bij verweerder voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft dit verzoek in behandeling genomen en de beslistermijn met zes maanden verlengd. Verweerder moest uiterlijk op 6 oktober 2022 een besluit nemen.
Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het verzoek tot herbeoordeling is overschreden. Eiseres heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door verweerder zijn meer dan twee weken voorbij gegaan. Niet gebleken is dat verweerder alsnog heeft beslist op het verzoek. Het beroep is daarom gegrond.
Eiseres heeft verzocht de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom vast te stellen. Verweerder heeft op 28 maart 2024 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
Gelet op de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3209). Verweerder moet in beginsel binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift een schriftelijke vooraankondiging als bedoeld in artikel 6.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) bekendmaken. De beslistermijn is ten minste zes weken na de datum van deze uitspraak. Omdat sinds de datum van het verweerschrift vijf weken zijn verstreken, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen zeven weken na de dag van verzending van deze uitspraak een vooraankondiging moet bekendmaken. Vervolgens moet verweerder binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze op de vooraankondiging of na het verstrijken van de termijn van zes weken om te reageren op de vooraankondiging een besluit over compensatie bekendmaken. Door snel een zienswijze in te dienen of mee te delen dat geen zienswijze wordt ingediend, kan eiseres deze tweede termijn zo kort als mogelijk maken. Er bestaat geen aanleiding om in dit individuele geval andere nadere beslistermijnen te bepalen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijnen overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat een termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-. De dwangsom begint te lopen op het moment dat verweerder de eerste termijn voor het nemen van een vooraankondiging overschrijdt en loopt door tot op het moment dat de vooraankondiging is verzonden. Als verweerder vervolgens ook de tweede termijn voor het nemen van een besluit over compensatie overschrijdt, gaat de dwangsom weer verder lopen tot het moment dat verweerder dat besluit bekendmaakt. De dwangsom loopt niet verder door dan het maximum van € 15.000,-.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de proceskostenveroordeling een wegingsfactor van 0,25 moet worden toegepast, omdat de zaak van zeer licht gewicht is. Verweerder verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7513, en een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4482. De rechtbank oordeelt anders. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling zijn zaken over niet-tijdig beslissen van licht gewicht, zodat een wegingsfactor van 0,5 moet worden toegepast (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:591, de uitspraak van 22 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4784, en de uitspraak van 16 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:657). De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding daarvan af te wijken.
De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen zeven weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een schriftelijke vooraankondiging als bedoeld in artikel 6.7 van de Wht bekend te maken;
  • draagt verweerder op binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze op de vooraankondiging of na het verstrijken van de termijn van zes weken om te reageren op de vooraankondiging een besluit over compensatie bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van N.W. Nooter, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 juni 2024.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.