Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van het UWV op zijn aanvraag tot herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid volgens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
De rechtbank constateert dat het UWV de wettelijke beslistermijn van twee weken heeft overschreden en dat eiser het UWV tijdig in gebreke heeft gesteld. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard. Het UWV had reeds een dwangsombeslissing van € 1.442,- opgelegd gekregen.
Vanwege een structureel tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV bepaalt de rechtbank een aangepaste beslistermijn van 30 weken vanaf ontvangst van het beroep op 2 september 2025. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- op voor het geval het UWV deze termijn overschrijdt.
De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan door rechter M. Zoethout op 3 november 2025.