Eiser diende meerdere aanvragen in voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet, waaronder voor orthodontie, tandarts, witgoed (wasmachine en droger), laserbehandeling, orthopedisch matras en hoofdkussen, en vloerbedekking. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvragen af met verwijzing naar het ontbreken van bijzondere omstandigheden en het bestaan van voorliggende voorzieningen zoals de Zorgverzekeringswet.
Eiser voerde aan dat hij niet over financiële middelen beschikte en dat de kosten noodzakelijk waren vanwege zijn medische situatie. De rechtbank oordeelde dat de wasmachine nog functioneerde en dat een droger niet noodzakelijk was, waardoor geen bijzondere bijstand voor witgoed kon worden toegekend. Voor de laserbehandeling, matras en kussen werd de Zorgverzekeringswet als passende voorliggende voorziening aangemerkt. Eiser maakte onvoldoende aannemelijk dat sprake was van een acute noodsituatie die zeer dringende redenen zou opleveren.
Ten aanzien van de vloerbedekking was de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een ingevuld formulier, maar dit bezwaar werd gegrond verklaard. De aanvraag werd alsnog afgewezen omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet had kunnen reserveren voor de voorzienbare kosten. De rechtbank concludeerde dat eiser geen bijzondere omstandigheden had gesteld die bijzondere bijstand rechtvaardigen en verklaarde de beroepen ongegrond.