Eiser diende op 23 oktober 2023 een verzoek om naturalisatie in, dat door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen op 15 oktober 2024. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd op 24 februari 2025 ongegrond verklaard. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Rotterdam, die het beroep op 15 juli 2025 behandelde.
De rechtbank constateert dat eiser rechtmatig verblijf had tot 5 april 2024, maar dat zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht werd ingetrokken vanwege een echtscheidingsverzoek van zijn echtgenote en de feitelijke ontwrichting van het huwelijk. De staatssecretaris beriep zich op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), dat vereist dat geen bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.
Eiser voerde aan dat zijn verblijf niet tijdelijk was omdat hij nog steeds bij zijn ex-partner en kind woonde en zorg- en opvoedingstaken vervulde, en dat de intrekkingsprocedure nog liep. De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie dat de naturalisatieprocedure en verblijfsrechtelijke procedure gescheiden zijn. De lopende intrekkingsprocedure vormt op zichzelf al een bedenkelijke grond voor naturalisatie.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris het verzoek terecht heeft afgewezen en wijst het beroep af. Een verzoek om aanhouding van de procedure om de uitkomst van de bezwaarprocedure af te wachten wordt niet toegewezen. Eiser kan bij een gegrond bezwaar een nieuw naturalisatieverzoek indienen.