ECLI:NL:RVS:2022:3144
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens twijfel aan identiteit en nationaliteit
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees het verzoek van appellant om het Nederlanderschap te verkrijgen af omdat haar identiteit en nationaliteit niet met voldoende zekerheid konden worden vastgesteld. Dit werd onderbouwd door tegenstrijdige verklaringen over geboortedatum en geboorteplaats, een taalanalyse en de intrekking van haar verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht.
Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte voorbijging aan de schending van haar hoorplicht in de bezwaarfase en dat de rechtbank onvoldoende was ingegaan op haar betwisting van de twijfel aan haar identiteit en nationaliteit. De Afdeling oordeelde dat het horen een essentieel onderdeel is, maar dat de rechtbank terecht aannam dat appellant niet in haar belangen was geschaad omdat de afwijzing ook op andere gronden kon worden gebaseerd.
Verder stelde appellant dat de staatssecretaris niet had onderzocht of haar verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gehandhaafd kon blijven, maar de Afdeling verwierp dit en bevestigde dat de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanleiding gaf tot bedenkingen tegen haar verblijf.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd.