ECLI:NL:RBROT:2026:1478

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 4704
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PwArt. 4:84 AwbArt. 3 Tijdelijke beleidsregels bijzondere bijstand voor energiekosten 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen hoogte bijzondere bijstand energiekosten

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om de bijzondere bijstand voor energiekosten te verlengen met een maandbedrag van €150,-. Zij stelt dat dit bedrag onvoldoende is vanwege de slechte isolatie van haar woning en haar medische situatie, en dat het college ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 Awb Pro.

De rechtbank stelt vast dat het college de Tijdelijke beleidsregels bijzondere bijstand voor energiekosten 2024 juist heeft toegepast en dat het maximumbedrag van €150,- redelijk is vastgesteld, rekening houdend met de NIBUD-normen. Het college heeft niet afzonderlijk getoetst of eiseres voldoet aan de voorwaarden van artikel 35 van Pro de Participatiewet, maar de rechtbank gaat ervan uit dat dit niet het geval is.

De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak dat stookkosten tot de noodzakelijke kosten behoren die in principe uit het bijstandsniveau moeten worden voldaan, en dat de aanvrager de bewijslast draagt om aan te tonen dat er sprake is van noodzakelijke meerkosten. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat haar energiekosten hoger zijn dan het toegekende bedrag en dat er bijzondere omstandigheden zijn die een hogere vergoeding rechtvaardigen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, wijst het verzoek om een hoger bedrag af en vergoedt zij geen proceskosten of griffierecht aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter H. Bedee op 20 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit over de hoogte van de bijzondere bijstand voor energiekosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4704

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. El Idrissi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. Z. Abachi).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot verlenging van de bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de energiekosten van eiseres. Eiseres is het niet eens met de hoogte van het maandbedrag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen. Eiseres heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 14 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college de bijzondere bijstand voor energiekosten van € 150,- per maand verlengd van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025.
2.1.
Met het besluit van 30 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft tegen bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Met het besluit van 12 september 2024 is aan eiseres over de periode van
1 augustus 2024 tot en met 30 september 2024 een bedrag van € 41,47 aan bijzondere bijstand voor maandelijkse energiekosten toegekend. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Van 1 oktober 2024 tot en met 31 december 2024 is vervolgens een bedrag van € 150,- aan bijzondere bijstand voor maandelijkse energiekosten toegekend. Met het primaire besluit is deze bijzondere bijstand verlengd tot en met 30 juni 2025.
3.1.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de Tijdelijke beleidsregels bijzondere bijstand voor energiekosten 2024 initieel eindigde op 31 december 2024, maar is verlengd tot 1 juli 2025, dat het maximumbedrag voor meerkosten redelijk is en dat de vergoeding voor eiseres, rekening houdend met de NIBUD-normen, juist is vastgesteld.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres betoogt dat aan haar een bedrag van € 282,- toegekend dient te worden vanwege de staat van haar woning, nu deze slecht geïsoleerd is (zo is er geen dubbel glas) en ze boven een garage woont waardoor sprake is van veel warmteverlies, en vanwege haar medische situatie als gevolg waarvan zij het snel koud krijgt. Verder betoogt eiseres dat zij aan de voorwaarden voldoet van artikel 35 van Pro de Pw, zodat haar bijzondere bijstand toegekend dient te worden. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte stelt dat er een maximaal bedrag van € 150,- per maand voor haar geldt, nu zij genoodzaakt is om meer dan het grensbedrag te verbruiken en zij uit haar inkomen onmogelijk de meerkosten kan voldoen. Eiseres betoogt dat, indien de maximale grens wel voor haar zou moeten gelden, het college ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van haar afwijkingsbevoegdheid nu sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van de beleidsregels.
De wet- en regelgeving
5. Op grond van artikel 3 van Pro de Tijdelijke beleidsregels bijzondere bijstand voor energiekosten 2024 (Tijdelijke beleidsregels) kan het college bijzondere bijstand verlenen aan de belanghebbende voor meerkosten, zijnde het verschil tussen het door de energieleverancier geadviseerde maandbedrag en het toepasselijke maandbedrag.
6. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Pw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Het oordeel van de rechtbank
7. Het college heeft toepassing gegeven aan de Tijdelijke beleidsregels bijzondere bijstand voor energiekosten 2024 (Tijdelijke beleidsregels).
8. De rechtbank stelt vast dat artikel 3 van Pro de Tijdelijke beleidsregels tegenwettelijk begunstigend beleid is, nu deze een uitzondering maken op de voorwaarden in artikel 35 van Pro de Pw. Zoals de Raad in de uitspraak van 15 mei 2025 [1] heeft overwogen wordt tegenwettelijk begunstigend beleid niet getoetst op rechtmatigheid, maar wordt als een gegeven aanvaard. Tegenwettelijk beleid wordt dus niet exceptief getoetst aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Evenmin wordt getoetst of het bestuursorgaan ten gunste van de betrokkene moet afwijken van dit beleid. De rechtbank toetst wel of het college het tegenwettelijk beleid juist heeft toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Met het bestreden besluit heeft het college de bijzondere bijstand voor energiekosten voor een maandbedrag van € 150,- tot en met 30 juni 2025 verlengd, en de berekening van het maandbedrag is overeenkomstig de Tijdelijke beleidsregels uitgevoerd.
9. Niet blijkt dat het college afzonderlijk ook heeft getoetst of eiseres aan de voorwaarden van artikel 35 van Pro de Pw voldoet. De rechtbank houdt het ervoor dat het college ervan is uitgegaan dat eiseres niet aan die voorwaarden voldoet. Nu het tegenwettelijk beleid in strijd is met artikel 35 van Pro de Pw, een wet in formele zin, zal op grond van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:700) moeten worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever.
10. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van 21 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1354, behoren stookkosten tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. In geval van een medische of (psycho)sociale indicatie kunnen noodzakelijke meerkosten – als daarvoor geen voorliggende voorziening bestaat – in beginsel voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Van meerkosten in dit verband kan sprake zijn als de kosten zo hoog oplopen dat deze de normale stookkosten overstijgen.
11. Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak. De bewijslast dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en de aanvrager niet voor de kosten heeft kunnen reserveren ligt op grond van die rechtspraak dus bij de aanvrager. De bijstand wordt in beginsel toereikend geacht om te kunnen reserveren. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 mei 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:870).
12. Het is eveneens vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1129), dat op de aanvrager, in dit geval eiseres, de last rust om aannemelijk te maken dat er meer kosten worden gemaakt dan het college aan bijzondere bijstand heeft toegekend.
13. Deze vaste rechtspraak kan de wetgever niet zijn ontgaan. Hoewel uit de termijnnota van januari 2025 van de energieleverancier van eiseres een relatief hoog bedrag (€ 445,-) aan energiekosten blijkt, heeft eiseres niet onderbouwd dat het door het college toegekende bedrag voor meerkosten van energie ontoereikend zou zijn en dat haar energiekosten vanwege medische of (psycho)sociale omstandigheden noodzakelijk hoger zijn dan normaal.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.