AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen niet tijdig beslissen door UWV op bezwaar
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van het UWV op haar bezwaar tegen een besluit van 17 oktober 2024. De rechtbank constateert dat het UWV de wettelijke beslistermijn heeft overschreden en dat eiseres het UWV tijdig in gebreke heeft gesteld.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin een aangepaste beslistermijn is vastgesteld vanwege het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV. Voor deze zaak geldt een termijn van 40 weken vanaf ontvangst van het beroep op 17 november 2025, waarbinnen het UWV alsnog moet beslissen, uiterlijk 24 augustus 2026.
De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting, conform artikel 8:54 AwbPro.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen door het UWV wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen binnen 40 weken alsnog te beslissen, met een dwangsom bij overschrijding.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9198
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 als bedoeld in artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[naam eiseres] ., uit [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: [persoon A] ,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [persoon B] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing (beroep ntb) op het bezwaar van eiseres tegen een besluit van het UWV van 17 oktober 2024.
1.1.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
3. Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het UWV in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het UWV zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het UWV alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
4. Het UWV heeft op 29 september 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
5. Vanwege het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Dit geeft aanleiding een andere beslistermijn te bepalen dan de wettelijke beslistermijn van twee weken. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 30 juli 2025 [2] beslist dat na gegrondverklaring van een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een primair besluit of een besluit op bezwaar het UWV alsnog een besluit bekend dient te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroep ntb heeft ontvangen.
5.1.
De rechtbank heeft het beroep ntb ontvangen op 17 november 2025. Het UWV dient binnen 40 weken na die datum (uiterlijk 24 augustus 2026) alsnog een beslissing op het bezwaar van eiseres bekend te maken. Er bestaat geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat het UWV een dwangsom verbeurt als het de gestelde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt het UWV verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. [3]
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het UWV op binnen 40 weken na 17 november 2025 (uiterlijk 24 augustus 2026) alsnog een besluit op het bezwaar van eiseres bekend te maken;
bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht van € 385 ,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Voetnoten
1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 vanPro de Awb.