Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:1833

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
11895556 VZ VERZ 25-6274
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:441 lid 1 BWArt. 1:443 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 7:610 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig wegens ontbreken dringende reden; toekenning billijke vergoeding en transitievergoeding

De werknemer was sinds augustus 2020 in dienst bij Esselink Bouwmaterialen B.V. als magazijnmedewerker en werd op 28 juli 2025 op staande voet ontslagen tijdens zijn arbeidsongeschiktheid. De werknemer, vertegenwoordigd door zijn bewindvoerders, betwistte het ontslag en vorderde primair vernietiging van het ontslag en betaling van achterstallig loon, en subsidiair een verklaring dat er geen dringende reden was voor het ontslag, met betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding en schadevergoeding.

De kantonrechter oordeelde dat de bewindvoerders ontvankelijk waren in hun verzoeken en dat de werknemer inmiddels berustte in het ontslag, waardoor de primaire vorderingen niet meer hoefden te worden beoordeeld. De rechter stelde vast dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat er geen dringende reden was. De werknemer had tijdens ziekte enkele vrijwillige lichte werkzaamheden verricht in een café-restaurant, wat niet zonder meer als arbeid in strijd met de arbeidsvoorwaarden kon worden aangemerkt. Esselink had bovendien nagelaten de bedrijfsarts te raadplegen en had niet eerst een minder vergaande sanctie toegepast.

De kantonrechter veroordeelde Esselink tot betaling van een billijke vergoeding van €10.000,-, een transitievergoeding van €5.579,11, een gefixeerde schadevergoeding van €3.122,33 en vergoeding van juridische kosten van €3.418,- plus proceskosten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat betaling direct kan plaatsvinden ondanks eventueel hoger beroep.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig; Esselink moet diverse vergoedingen en kosten aan de werknemer betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11895556 VZ VERZ 25-6274
datum uitspraak: 10 februari 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
1. [verzoeker] ,in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[naam 1],
woonplaats: [plaats] ,
2. [verzoeker] ,in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[naam 1],
woonplaats: [plaats] ,
verzoekers, verweerders in het voorwaardelijk tegenverzoek,
gemachtigde: mr. Y.E. Bijloo en mr. D. Quist,
tegen
Esselink Bouwmaterialen B.V.,
vestigingsplaats: Middelharnis,
verweerster, verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,
gemachtigde: mr. M.C.V. Dornstedt.
Partijen worden hierna ‘de bewindvoerders’ en ‘Esselink’ genoemd. De rechthebbende/onder bewind gestelde wordt hierna ‘ [naam 1] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van de bewindvoerders q.q., met bijlagen;
  • het verweerschrift van Esselink met voorwaardelijk tegenverzoek, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de bewindvoerders q.q.
  • de spreekaantekeningen van Esselink.
1.2.
Op 21 januari 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren de bewindvoerders en [naam 1] aanwezig, bijgestaan door mr. Y.E. Bijloo en mr. D. Quist. Namens Esselink waren aanwezig de heer [Naam] (directeur), de heer [naam 2] (leidinggevende) en mevrouw [naam 3] (HR-manager), bijgestaan door mr. M.C.V. Dornstedt.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[naam 1] werkte sinds 17 augustus 2020 bij Esselink als magazijnmedewerker. Het loon bedroeg € 2.627,86 bruto per maand, exclusief 8,33% vakantietoeslag en overige emolumenten. [naam 1] is sinds 5 maart 2025 arbeidsongeschikt. Vanaf 7 mei 2025 is [naam 1] op advies van de bedrijfsarts re-integratiewerkzaamheden gaan verrichten. Vervolgens is [naam 1] op 28 juli 2025 op staande voet ontslagen.
2.2.
[naam 1] is het niet eens met het ontslag. Daarom verzoeken de bewindvoerders (namens [naam 1] ) in deze procedure primair het ontslag te vernietigen en Esselink te veroordelen het achterstallige loon van [naam 1] , met wettelijke verhoging en rente, te betalen. Voor het geval [naam 1] alsnog berust in het ontslag verzoeken de bewindvoerders subsidiair voor recht te verklaren dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst geen dringende reden ten grondslag ligt en Esselink te veroordelen een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding te betalen, met de rente over deze vergoedingen. Daarnaast verzoeken de bewindvoerders zowel primair als subsidiair Esselink te veroordelen een schadevergoeding ter hoogte van de gemaakte juridische kosten te betalen.
2.3.
Esselink vindt dat de bewindvoerders niet-ontvankelijk zijn in hun verzoeken, omdat de bewindvoerders geen machtiging van de kantonrechter hebben om te mogen procederen. Voor zover de kantonrechter daar niet in mee gaat, stelt Esselink dat de bewindvoerders dan alsnog niet-ontvankelijk zijn, omdat zij pas op 21 januari 2026 het geding als formele procespartij hebben overgenomen en de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW toen al verstreken was. Voor het geval geoordeeld wordt dat de bewindvoerders wel ontvankelijk zijn, verzoekt Esselink de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. In dat geval vindt Esselink ook dat de verzoeken van de bewindvoerders moeten worden afgewezen, omdat het ontslag terecht is gegeven. Voor het geval geoordeeld wordt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog steeds bestaat, verzoekt Esselink de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van een transitievergoeding en te bepalen dat daarop voor [naam 1] gemaakte opleidingskosten in mindering mogen worden gebracht.
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat de bewindvoerders wel ontvankelijk zijn in hun verzoeken. Daarnaast wijst de kantonrechter de subsidiaire verzoeken van de bewindvoerders (grotendeels) toe. Aan het voorwaardelijke tegenverzoek van Esselink wordt niet toegekomen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
De bewindvoerders zijn ontvankelijk in hun verzoeken
2.5.
Uit de overgelegde beschikking van 21 april 2016 blijkt dat [naam 1] met ingang van 25 mei 2026 onder bewind is gesteld met benoeming van zijn ouders, [Naam] en [Naam] , tot bewindvoerders. Tijdens het bewind vertegenwoordigen de bewindvoerders bij de vervulling van hun taak de rechthebbende in en buiten rechte (artikel 1:441 lid 1 BW Pro). Dat betekent dat de bewindvoerders in een geding over een onder bewind gesteld goed dus optreden als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende.
2.6.
Hoewel deze procedure is gestart door [naam 1] zelf, zullen de bewindvoerders formeel worden aangemerkt als de verzoekende partij. Ter zitting hebben de bewindvoerders zich namelijk bereid verklaard om het geding als formele procespartij over te nemen. Anders dan Esselink heeft aangevoerd, is het niet noodzakelijk dat de bewindvoerders door de kantonrechter worden gemachtigd om namens [naam 1] te mogen procederen. In artikel 1:443 BW Pro is namelijk slechts bepaald dat de bewindvoerder, alvorens in rechte op te treden, zich te zijner verantwoording
kándoen machtigen door de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de kantonrechter. Deze bepaling is slechts bedoeld als een vorm van zekerheid voor de bewindvoerder dat hij niet achteraf door de rechthebbende wordt beschuldigd van een lichtvaardig besluit tot procederen. Het artikel maakt de bevoegdheid van de bewindvoerder om namens de rechthebbende te procederen niet afhankelijk van het verkrijgen van die machtiging (of toestemming van de rechthebbende) [1] .
2.7.
De kantonrechter volgt Esselink ook niet in haar stelling dat de bewindvoerders pas op de dag van de zitting (21 januari 2026) het geding als formele procespartij hebben overgenomen en dat de procedure daardoor eigenlijk pas op laatstgenoemde datum – en dus buiten de vervaltermijn van twee maanden (artikel 7:686a lid 4 sub a BW) – is aangevangen. Het feit dat een verzoekschrift door rechthebbende zelf is ingediend en niet door de bewindvoerders moet worden gezien als een gebrek in het verzoekschrift, dat echter kan worden hersteld doordat de bewindvoerders in de procedure verschijnen om die, ook wat betreft de eerder verrichte proceshandelingen, als formele procespartij over te nemen [2] . De eerdere proceshandelingen, waaronder ook het ingediende verzoekschrift, worden daarmee als het ware ‘bekrachtigd’. Daarbij komt in dit geval nog dat, hoewel de bewindvoerders formeel niet bij het inleidende verzoekschrift betrokken zijn, althans niet in de kop van het verzoekschrift zijn benoemd, de bewindvoerders hebben ingestemd met het verrichten van die proceshandeling. Bij het verzoekschrift is immers een toestemmingsverklaring van de bewindvoerders overgelegd.
2.8.
Gelet op het bovenstaande is de procedure dan ook aangevangen op de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, oftewel 25 september 2025. Omdat het ontslag op staande voet op 28 juli 2025 is gegeven, betekent dit dat het verzoekschrift binnen de vervaltermijn van twee maanden is ingediend. De bewindvoerders zijn daarom ontvankelijk in hun verzoeken.
[naam 1] berust in het ontslag van 28 juli 2025
2.9.
Omdat de bewindvoerders ter zitting hebben verklaard dat [naam 1] berust in het ontslag, behoeven de primaire verzoeken van de bewindvoerders geen beoordeling en beslissing meer. Met de berusting in het ontslag staat vast dat de arbeidsovereenkomst van [naam 1] vanwege de opzegging door Esselink is geëindigd op 28 juli 2025. Om die reden wordt ook niet toegekomen aan het voorwaardelijk ingestelde tegenverzoek van Esselink.
2.10.
In het vervolg van deze beschikking zal nader op de subsidiaire verzoeken van de bewindvoerders worden ingegaan.
Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven; er is geen dringende reden
2.11.
Voor de beoordeling van de subsidiaire verzoeken van de bewindvoerders is bepalend of Esselink op goede gronden is overgegaan tot het ontslag op staande voet op 28 juli 2025. Voor een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet is vereist dat (1) de werkgever een dringende reden heeft om de werknemer te ontslaan, (2) het ontslag onverwijld wordt gegeven en (3) de werkgever aan de werknemer de reden voor het ontslag onverwijld mededeelt (artikel 7:677 BW Pro).
2.12.
De werkgever kan de werknemer alleen op staande voet ontslaan als daar een dringende reden voor is. Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en/of gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband (artikel 7:678 lid 1 BW Pro). Of er een dringende reden is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden.
2.13.
In de ontslagbrief van 28 juli 2025 is als reden voor het ontslag op staande voet genoemd dat [naam 1] , tijdens zijn arbeidsongeschiktheid, op 19 juli 2025 gezien is in café-restaurant ’ [naam van cafe/ restaurant] in [plaats] , terwijl hij daar werkzaamheden achter de bar verrichtte. [naam 1] heeft niet betwist dat hij inderdaad op 19 juli 2025 in de avond achter de bar van ’ [naam van cafe/ restaurant] heeft gestaan. Hij heeft uitgelegd dat hij in verband met de drukbezochte, jaarlijkse Visserijdagen in [plaats] vanwege de goede band met de eigenaar van ’ [naam van cafe/ restaurant] op vrijwillige basis en zonder tegenprestatie enkele uren heeft bijgesprongen in het café-restaurant en dat hij in dat kader niets meer heeft gedaan dan lege glazen ophalen en het tappen van een aantal biertjes. Esselink heeft niet gesteld – en verder is de kantonrechter ook niet gebleken – dat [naam 1] op de bewuste avond meer of andere werkzaamheden in ’ [naam van cafe/ restaurant] heeft verricht.
2.14.
In artikel 11 van Pro de toepasselijke Arbeidsvoorwaarden van Esselink is bepaald dat de werknemer tijdens ziekte geen arbeid mag verrichten, behalve wanneer dit in het belang van zijn gezondheid is voorgeschreven of wanneer hij hiervoor toestemming heeft gekregen van de Arbodienst. De vraag rijst of het vrijwillig voor enkele uren bijspringen in een café-restaurant moet worden aangemerkt als het verrichten van ‘arbeid’, als bedoeld in het hiervoor genoemde artikel. In dat artikel wordt niet nader toegelicht wat in dit geval moet worden verstaan onder het begrip ‘arbeid’. In elk geval staat vast dat niet aan de vereisten, die de wet stelt aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 lid 1 BW Pro), is voldaan. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat [naam 1] verplicht was de werkzaamheden te verrichten en dat hij daarvoor loon heeft ontvangen. De omstandigheid dat [naam 1] kennelijk zodanige kleding droeg dat duidelijk was dat hij achter de bar stond, maakt dat niet anders. Esselink stelt dat er desondanks sprake was van ‘arbeid’, omdat [naam 1] werkzaamheden heeft verricht, die hem energie kostten. Hoewel [naam 1] zou hebben aangegeven geen of onvoldoende energie te hebben voor zijn werkzaamheden, had hij dat wél voor zijn nevenactiviteiten, aldus Esselink. In dat verband spreekt Esselink zelfs van ‘diefstal van energie’.
2.15.
Los van de vraag of de werkzaamheden van [naam 1] in ’ [naam van cafe/ restaurant] nu wel of niet als ‘arbeid’ moeten worden beschouwd in de zin van artikel 11 van Pro de Arbeidsvoorwaarden, geldt over het algemeen dat het verrichten van nevenactiviteiten niet zonder meer onverenigbaar kan worden geacht met arbeidsongeschiktheid. Of dat verenigbaar is, zal afhankelijk zijn van de aard van de ziekte en van het soort nevenactiviteit en de daarmee gepaard gaande belasting [3] .
2.16.
Ten aanzien van de aard van de arbeidsongeschiktheid van [naam 1] volgt uit de diverse spreekuurverslagen en evaluaties van de bedrijfsarts dat [naam 1] gezondheidsklachten ondervindt die verband houden met energetisch verminderde belastbaarheid. Esselink neemt het standpunt in dat de activiteiten van [naam 1] in het café-restaurant niet pasten in de belastbaarheid van [naam 1] op dat moment en daardoor een direct en negatief effect hadden op zijn re-integratie bij Esselink. De bewindvoerders hebben dat betwist en hebben ter zitting gemotiveerd uitgelegd dat de vrijwillige en lichte activiteiten in het café-restaurant voor [naam 1] juist een vorm van ontspanning waren en dat deze activiteiten, in tegenstelling tot zijn werkzaamheden bij Esselink, fysiek niet belastend waren en hem juist energie gaven.
2.17.
Uit het bovenstaande volgt dat partijen het niet eens zijn over de met de door [naam 1] verrichte werkzaamheden gepaard gaande belasting. Of die werkzaamheden voor [naam 1] zodanig belastend waren dat zijn re-integratie daardoor belemmerd werd, is in beginsel een medisch oordeel. Het is niet aan Esselink om daarover zelf te oordelen en conclusies te trekken. Ter zitting heeft Esselink echter verklaard dat zij voor deze beoordeling de bedrijfsarts niet heeft geraadpleegd. De kantonrechter is van oordeel dat dat in de gegeven omstandigheden wel van Esselink als werkgever verwacht had mogen worden.
2.18.
Bovendien, zelfs als vast zou staan dat [naam 1] met het uitvoeren van de bewuste nevenactiviteiten zijn re-integratie belemmerde, dan wel zich niet aan re- integratievoorschriften hield, dan had Esselink ook minder vergaande mogelijkheden gehad om daar tegen op te treden. Hoewel de kantonrechter kan begrijpen dat Esselink in zekere mate verontwaardigd was op het moment dat zij vernam dat [naam 1] zich tijdens zijn ziekte wél in staat achtte in de avonduren werkzaamheden in ’ [naam van cafe/ restaurant] te verrichten en dat dit tot onrust binnen de organisatie leidde, moet dat gevoelsaspect aan de zijde van Esselink wel worden gescheiden van de vraag of het handelen van [naam 1] (zelfs als dit zijn re-integratie zou schaden) de zeer zware sanctie van ontslag op staande voet rechtvaardigt. Een werkgever heeft immers voor dergelijke gevallen op grond van de wet al de mogelijkheid om de loonbetaling te staken of op te schorten (artikel 7:629 lid 3 en Pro lid 6 BW). Naar het oordeel van de kantonrechter had in dit geval het uitgangspunt moeten zijn dat Esselink eerst zo’n minder verstrekkende sanctie had moeten toepassen [4] . Esselink heeft zich kennelijk onvoldoende gerealiseerd dat een ontslag op staande voet een uiterste middel is. Bovendien volgt uit artikel 17 van Pro de Arbeidsvoorwaarden dat, als een werknemer zich niet aan de afspraken uit het verzuimprotocol houdt of niet voldoende meewerkt aan zijn herstel, dit kan leiden tot een waarschuwing en dat, als dit niet tot verbetering leidt, de werkgever het recht heeft om de loonbetaling op te schorten of stop te zetten. Ook daaruit volgt dat Esselink eerst een lichtere sanctie had moeten toepassen en [naam 1] niet direct op staande voet had moeten ontslaan.
2.19.
Het feit dat [naam 1] zelf niet vooraf aan de bedrijfsarts heeft voorgelegd of het hem vrij stond de betreffende werkzaamheden uit te voeren, maakt het voorgaande niet anders. Ook dat rechtvaardigt niet dat direct tot ontslag op staande voet is overgegaan. Ook daarvoor had Esselink eerst een sanctie als bedoeld in artikel 17 van Pro de Arbeidsvoorwaarden kunnen en moeten toepassen, zeker nu niet vaststaat dat de werkzaamheden een negatieve invloed op de re-integratie van [naam 1] hebben gehad.
2.20.
Omdat [naam 1] ziek was, Esselink niet eerst een onderzoek door de bedrijfsarts heeft laten verrichten naar de impact van de werkzaamheden van [naam 1] én Esselink niet eerst een minder vergaande sanctie heeft toegepast, is de kantonrechter van oordeel dat de handelwijze van [naam 1] geen dringende reden voor een ontslag op staande voet opleverde. Daarbij is ook meegewogen dat het hier om een eenmalig incident gaat, het geen concurrerende werkzaamheden betrof en [naam 1] er ook niet voor betaald kreeg. De door de bewindvoerders verzochte verklaring voor recht dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [naam 1] door Esselink geen dringende reden ten grondslag ligt, wordt daarom toegewezen.
2.21.
Omdat het ontslag al niet geldig is vanwege het ontbreken van een dringende reden, hoeft niet meer te worden beoordeeld of aan de andere onder 2.11 genoemde voorwaarden is voldaan.
Esselink moet een transitievergoeding betalen
2.22.
De bewindvoerders hebben recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [naam 1] (artikel 7:673 lid 1 en Pro lid 7 BW). Een redelijke wetsuitleg brengt daarom mee dat bij onregelmatige opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever – waarvan hier sprake is –, het recht op en de hoogte van de wettelijke transitievergoeding moeten worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop die arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de werkgever deze regelmatig zou hebben opgezegd [5] .
2.23.
Als Esselink de arbeidsovereenkomst op 28 juli 2025 regelmatig zou hebben opgezegd, zou deze – gelet op de op dat moment geldende opzegtermijn van één maand (artikel 7:672 lid 2 sub a BW Pro) – geëindigd zijn op 1 september 2025. De bewindvoerders hebben om betaling van een transitievergoeding van € 5.579,11 bruto verzocht. Zij hebben een berekening van dat bedrag in het geding gebracht, waaruit volgt dat daarbij is uitgegaan van de genoemde einddatum van 1 september 2025.
2.24.
Esselink heeft aangevoerd dat een bedrag van € 2.090,25 aan voor [naam 1] gemaakte opleidingskosten op de transitievergoeding in mindering moet worden gebracht. Esselink heeft in haar verweerschrift echter uitdrukkelijk verzocht alleen in het kader van haar voorwaardelijke ontbindingsverzoek de opleidingskosten in mindering te brengen op de in dat geval verschuldigde transitievergoeding. Aan de beoordeling van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek komt de kantonrechter zoals gezegd niet meer toe. Esselink heeft ter zitting weliswaar aangegeven dat een en ander zo moet worden gelezen dat het verzoek om de opleidingskosten in mindering te brengen op de transitievergoeding onvoorwaardelijk is, maar daarin volgt de kantonrechter Esselink niet. Dat blijkt immers niet uit het verweerschrift. De opmerkingen hierover van de gemachtigde van Esselink tijdens de zitting kunnen ook niet als een verandering van het tegenverzoek worden beschouwd, omdat een dergelijke verandering schriftelijk dient te geschieden (artikel 283 Rv Pro).
2.25.
Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter geen aanleiding een bedrag aan opleidingskosten in mindering te brengen op de transitievergoeding. Esselink wordt dan ook veroordeeld een bedrag van € 5.579,11 bruto aan transitievergoeding aan de bewindvoerders te betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW).
Esselink moet een gefixeerde schadevergoeding betalen
2.26.
Esselink moet een gefixeerde schadevergoeding aan de bewindvoerder betalen vanwege onregelmatige opzegging. Esselink heeft namelijk de arbeidsovereenkomst met [naam 1] per direct opgezegd zonder rekening te houden met een opzegtermijn (artikel 7:672 lid 11 BW Pro). Die vergoeding is – kort gezegd – gelijk aan het loon dat [naam 1] zou hebben gekregen als Skintastics bij de opzegging wel rekening zou hebben gehouden met een opzegtermijn.
2.27.
Zoals hiervoor al overwogen, had de arbeidsovereenkomst op 28 juli 2025 regelmatig opgezegd kunnen worden tegen 1 september 2025. De vergoeding komt daarmee neer op het loon over één maand en drie dagen. Uitgaande van het loon van € 2.627,86 bruto per maand, vermeerderd met 8,33% vakantietoeslag, is Esselink een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd van € 3.122,33. Dat is het bedrag, waarvan [naam 1] ook betaling heeft verzocht en waarvan Esselink de hoogte niet heeft betwist. Esselink wordt daarom veroordeeld dat bedrag aan de bewindvoerders te betalen. De wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW).
Esselink moet een billijke vergoeding betalen
2.28.
Omdat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, heeft Esselink de arbeidsovereenkomst met [naam 1] in strijd met artikel 7:671 BW Pro opgezegd. Dit betekent dat de bewindvoerders op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW Pro recht hebben op betaling van een billijke vergoeding.
2.29.
De vraag is vervolgens hoe hoog die vergoeding moet zijn. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding [6] . De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoelang de arbeidsovereenkomst zou hebben voortgeduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
2.30.
De bewindvoerders maken aanspraak op een billijke vergoeding van € 42.500,- bruto. Zij voeren daartoe aan dat, als [naam 1] niet onterecht ontslagen was, hij niet eerder dan rond april 2026 weer volledig aan het werk zou zijn gegaan en de arbeidsovereenkomst, rekening houdend met de op dat moment geldende opzegtermijn, niet eerder dan tegen 1 juli 2026 opgezegd had kunnen worden. Anders dan de bewindvoerders aanvoeren, is de kantonrechter echter van oordeel dat de relatief summiere verslagen van de bedrijfsarts onvoldoende concrete aanknopingspunten bevatten om daaruit zonder meer af te kunnen leiden dat de re-integratie nog tot april 2026 zou hebben voortgeduurd.
2.31.
Los van het voorgaande leidt de kantonrechter uit het procesdossier af dat, ook als het onterechte ontslag van 28 juli 2025 zou worden weggedacht, de arbeidsrelatie al in aanzienlijke mate verstoord was. Partijen stonden – en staan nog altijd – lijnrecht tegenover elkaar voor wat betreft de toelaatbaarheid van de nevenactiviteiten van [naam 1] in ’ [naam van cafe/ restaurant] . Esselink heeft toegelicht dat zij door die kwestie het vertrouwen in [naam 1] volledig heeft verloren en dat het handelen van [naam 1] ook tot grote verontwaardiging bij zijn collega’s heeft geleid. [naam 1] zelf heeft ter zitting uitgelegd dat hij zich binnen de onderneming van Esselink altijd al een buitenstaander heeft gevoeld, in die zin dat hij niet (altijd) door collega’s begrepen werd. Gelet op deze omstandigheden is dan ook niet gebleken dat er nog sprake was van een vertrouwensbasis tussen [naam 1] en Esselink op grond waarvan een langere en vruchtbare samenwerking nog mogelijk zou zijn geweest. De kantonrechter acht het daarom voldoende aannemelijk dat, als [naam 1] niet op staande voet zou zijn ontslagen, maar Esselink in plaats daarvan een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst had ingediend, dat tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou hebben geleid. In dat geval zou het dienstverband van [naam 1] hoogstens tot 1 april 2026 hebben voortgeduurd.
2.32.
Het bovenstaande betekent dat [naam 1] , gerekend vanaf 28 juli 2025, hoogstens nog acht maanden in dienst zou zijn geweest bij Esselink. Vast staat dat [naam 1] op dit moment een Ziektewet-uitkering ontvangt ter hoogte van 70% van zijn bruto-maandloon. Uitgaande van het loon van € 2.627,86 bruto per maand, met 8,33% vakantietoeslag bedraagt de inkomensschade, die [naam 1] per maand lijdt, € 854,03 ((€ 2.627,86 x 1,0833) x 30%). De totale inkomensschade over de periode tot 1 april 2026 is daardoor € 6.832,24 (€ 854,03 x 8).
2.33.
De kantonrechter neemt bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding ook mee dat [naam 1] , als de arbeidsovereenkomst zou hebben voortgeduurd tot 1 april 2026, op grond van de Arbeidsvoorwaarden (pagina 2, onder het kopje ‘Winstuitkering’) recht zou hebben gehad op een winstuitkering over 2025. Anders dan Esselink als uitgangspunt heeft genomen, geldt in dat geval namelijk niet dat [naam 1] in het lopende jaar, waarop de winstuitkering betrekking heeft, (2025) uit dienst is gegaan, maar pas in het daaropvolgende jaar (2026). De bewindvoerders hebben ter zitting gemotiveerd gesteld dat, als [naam 1] niet ten onrechte ontslagen zou zijn, hij in 2025 in totaal ongeveer 136 dagen zou hebben gewerkt en om die reden aanspraak zou hebben kunnen maken op ten minste een halve winstuitkering. Esselink heeft die berekening niet betwist. Uitgaande van de door de bewindvoerders gestelde en door Esselink niet-betwiste hoogte van de gemiddelde winstuitkering over de afgelopen jaren van € 3.490,50, zou [naam 1] in 2025 in elk geval recht hebben gehad op een winstuitkering van ongeveer € 1.745,25.
2.34.
Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding kan ook worden meegewogen dat er enige afschrikwekkende werking voor de werkgever van uit mag gaan [7] . Gelet daarop en op de hiervoor genoemde inkomensschade tot 1 april 2025 en de winstuitkering over 2025 vindt de kantonrechter in dit geval een billijke vergoeding van
(afgerond) € 10.000,- bruto passend. Esselink wordt veroordeeld dat bedrag aan de bewindvoerders te betalen. De wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag na de betekening van deze beschikking.
Esselink moet de vóór deze procedure gemaakte juridische kosten van [naam 1] betalen
2.35.
De bewindvoerders maken aanspraak op vergoeding van hun juridische kosten die zien op de rechtsbijstand die betrekking heeft gehad op het traject voorafgaand aan deze procedure. Deze kosten staan los van de daadwerkelijke procedurekosten en zijn toewijsbaar op grond van artikel 6:96 BW Pro in combinatie met artikel 7:611 BW Pro. De bewindvoerders hebben gesteld dat de totale advocaatkosten € 3.418,-, exclusief 5% kantoorkosten en btw, bedragen en hebben een specificatie van dat bedrag in het geding gebracht. Esselink heeft daar geen afzonderlijk inhoudelijk verweer tegen gevoerd, zodat ook dit deel van het verzoek van de bewindvoerders wordt toegewezen.
Esselink moet de proceskosten betalen
2.36.
De proceskosten komen voor rekening van Esselink, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die Esselink aan de bewindvoerders moet betalen op € 90,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.090,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.37.
De bewindvoerders hebben gevraagd de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, maar Esselink heeft zich daartegen verzet. Het uitgangspunt is dat een uitspraak uitvoerbaar moet zijn, ook tijdens een eventueel hoger beroep. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken als het belang van Esselink om niet aan de beschikking te hoeven voldoen zwaarder weegt dan het belang van de bewindvoerders bij het uitvoeren hiervan [8] . De kantonrechter oordeelt dat daarvan geen sprake is.
2.38.
Bij de belangenafweging moet de kans van slagen van een eventueel hoger in de regel buiten beschouwing blijven en wordt degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt – de bewindvoerders dus – vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben [9] . Dat belang van de bewindvoerders is groot, omdat [naam 1] al sinds 28 juli 2025 schade lijdt door het onterechte ontslag. Esselink heeft daartegenover enkel aangevoerd dat zij niet wil dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard omdat zij in hoger beroep de kwestie van de ontvankelijkheid van de bewindvoerders aan de orde kan stellen. Dat belang weegt echter niet op tegen het hiervoor genoemde grote (financiële) belang van de bewindvoerders.
2.39.
Deze beschikking wordt daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. De kantonrechter ziet geen reden hieraan de voorwaarde te verbinden dat door de bewindvoerders zekerheid wordt gesteld, zoals door Esselink is verzocht. Esselink heeft namelijk geen enkel argument aangevoerd ter onderbouwing van dat verzoek.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart voor recht dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [naam 1] door Esselink op 28 juli 2025 geen dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW Pro ten grondslag ligt;
3.2.
veroordeelt Esselink om aan de bewindvoerders een billijke vergoeding van
€ 10.000,- bruto te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt Esselink om aan de bewindvoerders een transitievergoeding van
€ 5.579,11 bruto te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
veroordeelt Esselink om aan de bewindvoerders een gefixeerde schadevergoeding van € 3.122,33 bruto te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
veroordeelt Esselink om aan de bewindvoerders € 3.418,-, met 5% kantoorkosten en btw, aan juridische kosten op grond van artikel 6:96 BW Pro en artikel 7:611 BW Pro te betalen;
3.6.
veroordeelt Esselink in de proceskosten, die aan de kant van de bewindvoerders tot vandaag worden vastgesteld op € 1.090,-, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
3.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
44487

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 3 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:353
2.HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:979
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juli 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2779
4.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:852
5.Hoge Raad 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286
6.Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow)
7.bijv. Hof Den Haag 6 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1238; Hof Den Haag 8 maart 2022,
8.Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, 5.8
9.vgl. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688