ECLI:NL:RBROT:2026:1968

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
ROT 25/9341
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbWet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen door UWV op herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV op zijn aanvraag voor herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA. De rechtbank oordeelt dat het UWV de wettelijke beslistermijn heeft overschreden nadat eiser het UWV in gebreke had gesteld en meer dan twee weken waren verstreken zonder besluit.

De rechtbank stelt de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-, ondanks dat het UWV geen dwangsombeschikking heeft afgegeven. Vanwege het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV geldt een aangepaste beslistermijn van 30 weken vanaf ontvangst van het beroep, waarbinnen het UWV alsnog een besluit moet nemen.

Indien het UWV deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiser. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt het UWV op binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen binnen 30 weken alsnog te beslissen onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9341
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [persoon A] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing (beroep ntb) op de aanvraag van eiser om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
3. Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op de aanvraag is overschreden. Eiser heeft het UWV in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het UWV zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het UWV alsnog heeft beslist op de aanvraag. Het beroep is daarom gegrond.
4. Naar de rechtbank begrijpt verzoekt eiser ook de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Het UWV heeft geen dwangsombeschikking afgegeven. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de verbeurde dwangsom vaststellen op € 1.442,-.
5. Vanwege het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Dit geeft aanleiding een andere beslistermijn te bepalen dan de wettelijke beslistermijn van twee weken. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 30 juli 2025 [2] beslist dat na gegrondverklaring van een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een primair besluit of een besluit op bezwaar het UWV alsnog een besluit bekend dient te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroep ntb heeft ontvangen.
5.1.
De rechtbank heeft het beroep ntb ontvangen op 19 november 2025. Het UWV dient binnen 30 weken na die datum alsnog een beslissing op de aanvraag van eiser bekend te maken. Er bestaat geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat het UWV een dwangsom verbeurt als het de gestelde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt het UWV verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. [3]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • stelt de door het UWV te betalen reeds verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;
  • draagt het UWV op binnen 30 weken na 19 november 2025 alsnog een besluit op de aanvraag van eiser bekend te maken;
  • bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Zie de uitspraken van de meervoudige kamer van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9225 en ECLI:NL:RBROT:2025:9226.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.