ECLI:NL:RBROT:2026:2673

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
ROT 24/11986
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.6 Wet dierenArt. 8.7 Wet dierenArt. 2.2 Wet dierenArt. 2.53 Besluit houders van dierenArt. 7b.5 Regeling houders van dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor pluimveehouder wegens onvoldoende maatregelen tegen voetzoollaesies

De zaak betreft een boete van €6.000 die de minister van Landbouw heeft opgelegd aan een pluimveehouder wegens het niet nemen van passende maatregelen na constatering van ernstige voetzoollaesies bij vleeskuikens in stal 1. De overtreding werd vastgesteld na een controle door een NVWA-dierenarts op 8 mei 2024, waarbij 68% van de gecontroleerde dieren ernstige laesies vertoonde.

De pluimveehouder betwistte de controle en de juistheid van het rapport, onder meer vanwege de wijze van steekproeftrekking en de beschrijving van de bevindingen. De rechtbank oordeelde echter dat de NVWA-dierenarts bevoegd is en dat het rapport, mede ondersteund door foto’s, voldoende representatief en betrouwbaar is. De pluimveehouder had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de controle niet correct was uitgevoerd.

Verder stelde de rechtbank vast dat de pluimveehouder na eerdere kennisgeving onvoldoende passende maatregelen had genomen om het dierenwelzijn te verbeteren. De boete werd verhoogd vanwege recidive, wat volgens de rechtbank terecht was en niet leidde tot ongelijke behandeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de boete van €6.000 wegens onvoldoende maatregelen tegen voetzoollaesies.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11986

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. E.A. Verhulp).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 6.000,- die verweerder met het besluit van 26 juli 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 22 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] (directeur van eiseres), en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Op 28 december 2023 heeft verweerder een voornemen tot boeteoplegging naar eiseres gestuurd waarin staat dat op 21 februari 2023 is vastgesteld dat eiseres een overtreding van artikel 2.53 van het Besluit houders van dieren heeft begaan omdat zij geen passende maatregelen heeft genomen met betrekking tot het verbeteren van het dierenwelzijn in stal 1 na melding van een dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Bij dit voornemen is een rapport van bevindingen gevoegd waarin staat dat een toezichthoudend dierenarts bij een controle op 21 februari 2023 van de kuikens van eiseres uit stal 1 vaststelt dat 85 % van de gecontroleerde dieren een of meerdere vormen van contactdermatitis vertoonden. In het voornemen staat ook dat eiseres verplicht is om passende maatregelen te nemen ter verbetering van het dierenwelzijn op haar bedrijf op grond van artikel 2.53, eerste lid, van het Besluit houders van dieren en dat het gevolgen zal hebben als tijdens volgende inspecties van aangevoerde koppels vleeskuikens op het slachthuis blijkt dat eiseres onvoldoende maatregelen heeft genomen. Over die gevolgen staat in het voornemen dat als een toezichthoudend dierenarts bij een koppel vleeskuikens van dezelfde locatie en stal binnen twaalf maanden weer vaststelt dat er onacceptabele dierenwelzijnsafwijkingen zijn, aan eiseres (wederom) een boete wordt opgelegd.
3.2.
Op 8 mei 2024 heeft een toezichthoudend dierenarts van de NVWA in een slachterij opnieuw kuikens van eiseres uit stal 1 gecontroleerd. In het rapport van bevindingen dat de toezichthouder diezelfde dag heeft opgemaakt staat over die controle onder meer het volgende:

Naar aanleiding van regulier toezicht bevond ik mij te:[…]
Van der Linden Poultry Products B.V.[…]
Datum en tijdstip van de bevinding: 8 mei 2024, omstreeks 7.13 uur en 8.54 uur.
Tijdens mijn inspectie op bovenstaand slachthuis heb ik het volgende koppel vleeskuikens(hierna te noemen 'het koppel') beoordeeld:
KIP nummer : [nummer]
Aantal aangevoerde dieren : 22680
Stalnummer(s) : 1
Slachtdatum : 08-05-2024
Bevinding:
Ik, toezichthouder dierenarts werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit(NVWA), stond tijdens de post mortem (PM) keuring naast de potensnijder in de broei/plukafdeling. Ik heb 2 x 50 dieren gecontroleerd op contactdermatitis. 68% van de door mij gecontroleerde dieren vertoonden een of meerdere vormen van contactdermatitis. Ik zag aan en stelde hier, bij de voorbijkomende karkassen van het koppel de volgende afwijkingen, vast:
Ik zag 68 dieren met ernstige voetzoollaesies (klasse 2 zoals gesteld in artikel 7b. 5. lid 2 Regeling houders van dieren). De belangrijkste oorzaak van contactdermatitis (voetzoollaesies, hakdermatitis en borstblaren) is een slechte strooiselkwaliteit in de stal (van Ham et al., 2009). Voetzoollaesies zijn een aantasting van de opperhuid van de voetzool van vleeskuikens. Wanneer de huid tot in de diepere lagen wordt aangetast worden de laesies pijnlijk voor het dier. Hierdoor wordt het welzijn aangetast. Daarnaast is de kans groter op het ontstaan van andere irritaties zoals borst- en hakirritaties. De hoeveelheid en ernst van de voetzoollaesies worden bepaald door middel van klasse-systeem. Klasse 2 geeft aan dat de poot een laesie met aantasting van de opperhuid en onderhuidse ontsteking had.
De aangetroffen afwijkingen zijn fysieke afwijkingen die niet in een paar dagen ontstaan,maar die zijn ontstaan gedurende een langere periode in de stal waar de dieren zijn gehouden. De waargenomen fysieke afwijkingen hebben het welzijn van de dieren ernstig geschaad waardoor deze hebben geleden.
Meer informatie over het ontstaan en voorkomen van contactdermatitis vindt u op de sitevan Wageningen University & Research. 'Minder voetzoollaesies via management' > https://edepot.wur.nl/9426'Analyse risicofactoren welzijn en gezondheid vleeskuikens' > https://edepot.wur.nl/538624
Ik zag en stelde bij de keuring vast dat de vleeskuikens grote fysieke afwijkingen vertoonden) die wijst op slechte dierenwelzijnsomstandigheden in de betreffende stal op het bedrijf van oorsprong. Op grond van artikel 2.53 Besluit houders van dieren, verstrekt de dierenarts verbonden aan de NVWA de gegevens van de PM keuring aan de houder. De houder moet naar aanleiding hiervan passende maatregelen nemen ter verbetering van de omstandigheden op het bedrijf, zodat het dierenwelzijn verbetert.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Het niet nemen van passende maatregelen met betrekking tot het verbeteren van het dierenwelzijn in stal 1 na melding van een NVWA dierenarts.”
Volgens verweerder heeft eiseres hiermee een overtreding begaan van artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.53, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 6.000,-.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?
4. Eiseres voert aan dat de toezichthouder de controle van de kuikens niet op juiste wijze heeft uitgevoerd. In het toepasselijk Werkvoorschrift [1] is voorgeschreven dat de controle op één en twee derde van het koppel moet plaatsvinden. Het is onwaarschijnlijk dat dat in dit geval is gebeurd; in elk geval kan dit op basis van het rapport van bevindingen niet worden vastgesteld. Verweerder stelt ten onrechte dat de toezichthouder niet gebonden is aan het Werkvoorschrift. Uit de door de wetgever gekozen systematiek volgt dat de wetgever het kennelijk van belang acht dat een representatieve controle plaatsvindt. Als afwijking van dit voorschrift wordt toegestaan maakt dat het mogelijk dat de controle wordt gemanipuleerd door andere (voor de vleeskuikenhouder nadeligere) momenten aan te houden. Dat het Werkvoorschrift alleen is gericht tot slachterijen kan niet worden aanvaard, omdat de wijze van controleren eenduidig dient plaats te vinden. Verder voert eiseres aan dat uit de bij het rapport gevoegde foto’s niet het aantal aangetaste pootjes en de ernst ervan blijkt. Ook ontbreekt in het rapport een duidelijk omschrijving van wat de toezichthouder heeft aangetroffen. Voorts strookt de constatering van de toezichthouder niet met het feit dat bij de later weggeladen dieren uit deze stal niet is geconstateerd dat een groot percentage voetzoollaesies had. Daarnaast neemt verweerder ten onrechte aan dat de belangrijkste oorzaak van contactdermatitis een slechte strooikwaliteit in de stal is. Dit is door de toezichthouder niet vastgesteld in de stal van eiseres. Contactdermatitis kan meerdere oorzaken hebben, ook oorzaken die buiten de invloedsfeer van eiseres liggen. In dat geval kan eiseres de overtreding niet worden verweten. Bovendien heeft eiseres wel degelijk maatregelen getroffen ten bate van het dierenwelzijn. Zo controleert eiseres frequenter en strooit bij en is zij minder dieren gaan opzetten, aldus eiseres.
4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [2] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.2.
Verder volgt uit vaste rechtspraak van de rechtbank [3] en het CBb [4] dat de wettelijke controles door het slachthuis op basis van de Regeling houders van dieren en die van de toezichthouder in het kader van artikel 2.53 van het Besluit houders van dieren verschillen.
Anders dan eiseres stelt, hoeft de NVWA-dierenarts bij zijn toezicht op dierenwelzijn niet exact de werkwijze te volgen die voor het slachthuis in de Regeling houders van dieren is voorgeschreven. Dit volgt niet uit de betreffende voorschriften van het Besluit houders van dieren en de Regeling houders van dieren en ook niet uit het van toepassing zijnde Werkvoorschrift. Wel is de wijze van scoren en de beoordeling van de resultaten zoals omschreven in het rapport van bevindingen gebaseerd op artikel 7b.5 van de Regeling houders van dieren, maar dat betekent niet dat de toezichthouder ook exact moet volgen wat in dat artikel is voorgeschreven; dat is immers gericht tot het slachthuis (of de controleur) en betreft een andere controle. Voor het slachthuis is voorgeschreven dat alleen rechtervoeten worden bekeken en dat dit op één en twee derde van het koppel wordt gedaan. De rechtbank acht niet noodzakelijk dat ook de toezichthoudend dierenarts zich hieraan exact houdt bij de beoordeling op slechte dierenwelzijnsomstandigheden. Bij de scores door het slachthuis gaat het immers om het vaststellen van een representatief jaargemiddelde, terwijl het scoren door de toezichthouder ziet op een heterdaad constatering.
4.3.
Het voorgaande neemt niet weg dat wel duidelijk moet zijn dat de bevindingen van de toezichthouder een (enigszins) representatief beeld geven van de dierenwelzijnsomstandigheden in de desbetreffende stal. [5] Dat is naar het oordeel van de rechtbank in elk geval onvoldoende gewaarborgd indien tussen de twee tellingen niet een substantiële pauze zit. Uit het rapport van bevindingen volgt dat de toezichthouder omstreeks 7.13 uur 50 kuikens heeft beoordeeld en omstreeks 08.54 uur nog eens 50 kuikens heeft beoordeeld en daarbij heeft vastgesteld dat 68 % voetzoollaesies klasse 2 had. Weliswaar is de bandsnelheid in het rapport niet vermeld, maar gelet op de tijdspanne tussen beide tellingen vindt de rechtbank dit – ook als sprake zou zijn van een zeer lage bandsnelheid – voldoende representatief voor de vaststelling dat in stal 1 van eiseres sprake was van slechte dierenwelzijnsomstandigheden. [6]
4.4.
De rechtbank constateert met eiseres dat de beschrijving in het rapport van de concrete vaststelling dat 68% van de dieren voetzoollaesie klasse 2 had, erg beknopt is. Het rapport bevat naast die vaststelling een algemene toelichting over de achtergrond, de oorzaken en de gevolgen van voetzoollaesies, maar mist een concrete omschrijving van de wijze waarop is geconstateerd dat bij 68 dieren sprake was van voetzoollaesies klasse 2, zoals visuele waarneming, het bevoelen van de voetzolen of het insnijden van de voetzolen.
Bij betwisting van de bevindingen kan een louter beperkte omschrijving van de concrete vaststelling door de toezichthouder ertoe leiden dat moet worden getwijfeld aan de conclusie dat geen passende maatregelen zijn genomen. In dit geval zijn echter bij het rapport van bevindingen foto’s gevoegd van de gecontroleerde pootjes die naar het oordeel van de rechtbank ondersteunen de in het rapport neergelegde bevindingen van de toezichthoudend dierenarts in voldoende mate ondersteunen. Op de foto’s is te zien dat de pootjes zijn gesorteerd in score 0, 1 en 2 en ook zijn op de als score 2 aangemerkte groep pootjes grote donkere plekken op de zolen zichtbaar die passen bij een klasse 2 voetzoollaesie. Gelet op de beschrijvingen in het rapport die worden ondersteund door foto’s, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor twijfel aan de bevinding van de toezichthoudend dierenarts dat 68% van de gecontroleerde pootjes voetzoollaesies klasse 2 had. Ook de stelling van eiseres dat bij weggeladen dieren uit dezelfde stal geen hoge voetzoollaesiescore is vastgesteld, geeft geen twijfel, nu dit niet met stukken is onderbouwd en bovendien niet is gebleken dat een controle van de weggeladen dieren op voetzoollaesies door een NVWA-toezichthouder heeft plaatsgevonden.
4.5.
Gelet op deze hoge score van ernstige voetzoollaesies heeft verweerder terecht vastgesteld dat in stal 1 van eiseres sprake was van slechte dierenwelzijnsomstandigheden. [7]
Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat eiseres naar aanleiding van de kennisgeving van 28 december 2023 geen of onvoldoende passende maatregelen ter verbetering van het dierenwelzijn heeft genomen. Verweerder hoefde hiervoor geen controle bij eiseres te verrichten of na te gaan of en zo ja welke maatregelen eiseres heeft genomen. Ook hoeft verweerder niet de exacte oorzaak van de slechte dierenwelzijnsomstandigheden te achterhalen. Zoals het CBb heeft overwogen [8] gaat het hier om een resultaatsverplichting. Een professioneel pluimveehouder, bijgestaan door een dierenarts, dient in staat te zijn om te bepalen welke maatregelen voor zijn bedrijf passend zijn zodat het dierenwelzijn wordt verbeterd. Voor zover eiseres na de kennisgeving maatregelen heeft genomen, hebben deze kennelijk niet geresulteerd in tenminste een zodanig niveau van dierenwelzijn dat een toezichthoudend dierenarts geen aanleiding (meer) vindt voor de conclusie dat sprake is van slechte dierenwelzijnsomstandigheden. Verweerder heeft dan ook terecht vastgesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan de in artikel 2.53, eerste lid, van het Besluit houders van dieren opgenomen verplichting.
Hoogte en evenredigheid van de opgelegde boete
5. Eiseres voert aan dat de boete te hoog is. Zij wijst erop dat het boetebedrag is verhoogd naar € 6.000,- vanwege recidive terwijl in een vergelijkbare zaak [9] ondanks recidive het standaardboetebedrag van € 1.500,- is opgelegd. Eiseres voelt zich dan ook ongelijk behandeld.
5.1.
Nu verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan, was verweerder bevoegd [10] om eiseres een boete op te leggen. De wetgever heeft reeds een afweging gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 1.500,-. In dit geval heeft verweerder de boete verhoogd naar € 6.000,- omdat sprake is van recidive. Verweerder heeft daarbij gewezen op de boete van € 4.500,- die op 28 oktober 2022 aan eiseres is opgelegd voor overtreding van artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren en artikel 2.53, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. Het ging daarbij dus om een overtreding van dezelfde voorschriften als in onderhavige boetezaak en in dat geval wordt de boete op grond van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren verhoogd met het bedrag van de eerder opgelegde boete. Verweerder heeft de recidiveregeling dus juist toegepast. Van ongelijke behandeling bij de toepassing van deze recidiveregeling is de rechtbank niet gebleken. Eiseres heeft verwezen naar een citaat in een ander boetebesluit waarin verweerder overweegt dat er geen aanleiding is om af te wijken van het standaardboetebedrag, maar dat ziet op toetsing aan artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren waarbij wordt bezien of de risico’s of gevolgen van een overtreding reden zijn voor een halvering of verdubbeling van de boete. Dit ziet niet op toetsing aan de recidiveregeling.
De rechtbank vindt de opgelegde boete van € 6.000,- in dit geval, gelet op de aard en ernst van de overtreding en de omstandigheid dat sprake is van recidive, evenredig.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is dus ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet dieren

Artikel 8.6, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:
overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens:
1° de artikelen 2.2, negende en tiende lid, […]
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Besluit houders van dieren

Artikel 2.53, eerste lid
Wanneer een dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, aan de houder en een ambtenaar als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de wet, gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de dagelijkse mortaliteit, de gecumuleerde dagelijkse mortaliteit of de resultaten van de post mortem keuring die wijzen op slechte dierenwelzijnsomstandigheden, neemt de desbetreffende houder passende maatregelen ter verbetering van het dierenwelzijn.

Regeling houders van dieren

Artikel 7b.5, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid

De houder die een bezettingsdichtheid van meer dan 39 kg/m2, maar ten hoogste 42 kg/m2 toepast, zorgt ervoor dat voor elk koppel in het slachthuis, of voor een voor de export bestemd koppel op het bedrijf ten hoogste vijf werkdagen voor het einde van de ronde, wordt vastgesteld in welke mate voetzoollaesies voorkomen.
Ten behoeve van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt bij een aantal vleeskuikens van een koppel beoordeeld bij hoeveel dieren er
geen of een zeer kleine verkleuring zichtbaar is (klasse 0);
verkleuring maar geen diepe aantasting aanwezig is (klasse 1);
een laesie met aantasting van de opperhuid en onderhuidse ontsteking (klasse 2) aanwezig is.
De houder maakt afspraken met de exploitant van het slachthuis respectievelijk het bedrijf dat de vaststelling in de stal verricht, zodanig dat de vaststelling plaatsvindt:
bij het slachthuis:
1° door een daarvoor opgeleide medewerker, bij 100 kuikens van elk koppel, waarvan 50 kuikens direct na verwerking van ongeveer 30% van het koppel, en 50 kuikens direct na verwerking van ongeveer 60% van het koppel, met inachtneming van het protocol dat als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd, dan wel:
2° met gebruikmaking van een digitaal meetsysteem bij ten minste 70% van alle kuikens van elk koppel, overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in bijlage 4;
in de stal: ten hoogste 5 werkdagen voordat de laatste vleeskuikens worden weggeladen, door een daarvoor opgeleide controleur, bij 100 kuikens van elk koppel met inachtneming van het protocol dat als bijlage 5 bij deze regeling is gevoegd.
5. De in het eerste lid bedoelde houder verstrekt per koppel de gegevens waaruit de score blijkt binnen 30 dagen na de vaststelling aan de minister. De artikelen 7b.2, tweede lid, en 7b.8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
6. De in het eerste lid bedoelde houder stelt na elk kalenderjaar een gemiddelde score voor het afgelopen jaar per stal vast op basis van de gegevens, bedoeld in het vijfde lid.
Bijlage 3, eerste, derde en vierde lid
1. Deze monitoring wordt uitgevoerd in het slachthuis waar het koppel vleeskuikens of het grootste deel ervan wordt geslacht.
3. 100 100 vleeskuikens per koppel (per stal) worden beoordeeld, waarvan 50 kuikens rond de verwerking van 30% van het koppel, en 50 kuikens rond de verwerking van 60% van het koppel.
3. 100 Alleen de rechter poot van elk vleeskuiken van de steekproeven wordt beoordeeld. Hiervoor worden de te monitoren poten van de slachtlijn gehaald en verzameld.

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 2.5, eerste lid
Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.

Voetnoten

1.Werkvoorschrift toezicht op welzijn van pluimvee en konijnen in het slachthuis, Bijlage 8 - indicaties van slechte welzijnsomstandigheden op het bedrijf van oorsprong
4.Zie bijv. ECLI:CBB:2025:32 en ECLI:NL:CBB:2025:53
5.Zie ook ECLI:NL:CBB:2025:53 (r.o. 6.9) en ECLI:NL:RBROT:2025:12098 (r.o. 4.4)
6.Vergelijk ECLI:NL:CBB:2025:329 (r.o. 4.8)
9.Boetezaaknummers 202402092 en 202402093
10.Gelet op artikel 8.7 gelezen in samenhang met artikel 8.6, eerste lid, en artikel 2.2, tiende lid van de Wet dieren