Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6080

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/741
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening 1099/2009Art. 4 Verordening 1099/2009Art. 6 Wet dierenArt. 6.2 Wet dierenArt. 8.7 Wet dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor overtreding dierenwelzijnsvoorschriften bij bedwelming biggen bevestigd

De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiseres tegen een bestuurlijke boete van €5.000 opgelegd door de Minister van Landbouw voor overtreding van de Wet dieren en Verordening (EG) nr. 1099/2009.

De overtreding betrof het onjuist bedwelmen van biggen in een slachthuis, waarbij de bedwelmingstang niet volgens de voorgeschreven methode werd toegepast, wat leidde tot onnodig lijden. Dit werd vastgesteld aan de hand van camerabeelden die toezichthouders van de NVWA hadden bekeken en beschreven in een rapport van bevindingen.

Eiseres betwistte de overtreding en stelde dat de camerabeelden niet meer beschikbaar waren en dat zij niet was gewezen op het recht op rechtsbijstand. De rechtbank oordeelde dat het bestuursorgaan mocht uitgaan van het rapport van de toezichthouders, dat de bewijslast bij verweerder lag en dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er twijfel aan de bevindingen bestond.

Verder stelde de rechtbank dat het wijzen op het recht op rechtsbijstand alleen vereist is bij een verhoor, wat hier niet het geval was. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de boete in stand blijft en eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €5.000 wegens overtreding van dierenwelzijnsvoorschriften bij het bedwelmen van biggen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/741

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en

de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder,

(gemachtigden: mr. S.M. Geerding en mr. D.J. van der Bij ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over een verdubbelde boete van € 5.000, - die verweerder met het besluit van 6 september 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift [1] .
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder vergezeld door [naam].

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 14 juni 2024 is opgemaakt door twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
In het rapport van bevindingen [2] staat onder meer het volgende:

Bevindingen:
Datum en tijdstip van de bevindingen: 6 mei 2024, omstreeks 15:00 uur
In het bedrijf aangesproken en in functie bekend bij [naam], functie:bedrijfsleider.
Toezichthouder 1:
Tijdens mijn inspectie op 6 mei 2024 bevond ik mij, tussen 13:30 uur en 15:30 uur, op het kantoor van de heer [naam]. Hier heb ik tijdens regulier cameratoezicht steekproefsgewijs camerabeelden bekeken van 22 april 2024 t/m 5mei 2024.
Ik zag op de camerabeelden van het controlepunt 'doodmakersruimte' dat op 24 april 2024, omstreeks 9:44 uur, er medewerkers van het slachthuis bezig zijn met het bedwelmen en verbloeden van de biggen. Op dit punt worden de biggen aan de baan gehangen. De handelingen van bedwelmen t/m het ophangen zijn duidelijk in beeld en op dat moment scherp en helder. De camera die in de doodmakersruimte hangt heeft een inzoom functie waardoor het duidelijk te zien is wat er gebeurd in de doodmakersruimte.
Bovengenoemd slachthuis maakt gebruik van elektrische bedwelming (kop tot lichaam), d.m.v. de elektrische bedwelmingstang. Deze wijze van bedwelming wordt aangemerkt als eenvoudige bedwelming. Bij deze wijze van bedwelming wordt het lichaam door middel van het plaatsen van een elektrische tang op de kop blootgesteld aan een stroomsterkte. Gevolgd door het plaatsen van de elektrische tang op het lichaam, ter hoogte van het hart, waardoor het dier vervolgens wederom wordt blootgesteld aan een stroomsterkte. Dit heeft tot gevolg dat de biggen in een staat van bewusteloosheid en gevoelloosheid worden gebracht. Hier moet dus eerst de bedwelmingstang aan beide zijden van de kop worden geplaats om de biggen in staat van bewusteloosheid te brengen om vervolgens de bedwelmingstang op kop en hart te plaatsen zodat de biggen in gevoelloosheid worden gebracht.
Ik zie dat de medewerker die de bedwelmingstang bediend bij meerdere biggen (+/- 6) de bedwelmingstang met beide elektroden zijdelings op de thorax ter hoogte van het hart plaatst. Dit zonder eerst de vereiste kop bedwelming toe te passen. Een bedwelmingstang is een tang waarvan de uiteinde voorzien zijn van elektroden, wanneer deze elektroden tegelijk in contact komen met de big zal er een bepaalde hoeveelheid stroom van de ene naar de ander kant stromen.
Bij controle van meerdere beelden heb ik dezelfde fout geconstateerd, dit op de volgende data: 26 april 2024 omstreeks 7:27 uur, 2 mei 2024 omstreeks 8:15 uur.
Bij constatering heb ik de dierenarts die op dat moment (tevens bedrijvenbeheerder) aan het werk was er bij geroepen en hij heeft de beelden samen met mij bekeken.
Toezichthouder 2:
Ik heb samen met mijn collega de beelden bekeken van verschillende momenten bij het bedwelmen en verbloeden van biggen bij slachthuis [slachthuis].
Hier zag ik duidelijk op 24 april 2024 omstreeks 9:44 uur, 26 april 2024 omstreeks 7:27 uur en 2 mei 2024 omstreeks 8:15 uur, zoals vermeld in het cameratoezicht verslag van 6 mei 2024 dat de medewerker telkens bij een aantal biggen de tang beiderzijds van de thorax, ter hoogte van het hart, plaatste. Dit zonder eerst de biggen te bedwelmen door de tang op het hoofd te plaatsen. Waardoor de varkens niet verdoofd zijn, maar alleen geïmmobiliseerd worden. Hierdoor wordt de big als het ware geëlektrocuteerd zonder voorafgaandebedwelming. Het bij bewustzijn blootstellen van het lichaam aan een dergelijke hoeveelheid stroom, veroorzaakt ernstige en vermijdbare pijn, spanning en lijden bij de biggen.
De collega die deze medewerker, die nog in opleiding is, begeleidde greep telkens niet in. Vermits ik bedrijfsbeheerder ben bij dit bedrijf herken ik de medewerker. In een eerder bedrijfsoverleg was toegelicht wie de certificaten had en wie er in opleiding was. Op andere momenten gedurende de dag en andere dagen werd wel een correcte bedwelming toegepast.
In het protocol 7-PT-040-01 20231122 Protocol Dierenwelzijn hoofdstuk 5.5.2 van [slachthuis] geeft [slachthuis] aan wat de standaard werkwijze is voor het juist bedwelmen van biggen:
' Bij het bedwelmen wordt als volgt gewerkt:
(…)
• De medewerker pakt met de tang een varken middels de kop-kop methode - netzolang dat de bedwelming is ingetreden (groen lampje op apparaat).
• Vervolgens wordt er nog een kop hartbedwelming toegepast (ook hier debedwelming aanhouden tot de groene lamp brandt). '
Op basis van onze bevindingen stelden wij vast dat deze standaardwerkwijze (SWW) 7-PT-040-01 20231122 Protocol Dierenwelzijn, die was ingevoerd voor het doden én de ermee verband houdende activiteiten, en heel specifiek: hoofdstuk 5.5.2 niet werden gevolgd. Het gevolg hiervan was de dieren niet correct bedwelmd werden en elke vermijdbare vorm van ernstige pijn, spanning en lijden was bespaard.
Hieruit bleek mij dat werd gehandeld in strijd met Verordening (EG) nr. 1099/2009.
Artikel 3, lid 1, Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard;
Artikel 4, lid 1, Dieren worden uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in bijlage I.
Artikel 6, lid 1, bedrijfsexploitanten plannen vooraf het doden van dieren en dedaarmee verband houdende activiteiten, en voeren het doden uit overeenkomstig
de standaardwerkwijzen;
Artikel 6, lid 2 aanhef, bedrijfsexploitanten stellen dienovereenkomstigestandaardwerkwijzen op en voeren die uit om te waarborgen dat het doden van
dieren en de daarmee verband houdende activiteiten overeenkomstig artikel 3, lid1, plaatsvinden.
(…)”
4. Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres een overtreding heeft begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, juncto artikel 5.8 van de Regeling dierlijke producten, juncto artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1099/2009. [3] . Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Verordening niet langer ten grondslag legt aan de boete.
Verweerder heeft gelet op het Algemene Interventiebeleid NVWA en het Specifiek Interventiebeleid Doden van gehouden dieren (IBO3-SPEC72) vastgesteld dat eiseres een herhaalde overtreding heeft begaan. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 5.000, -.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiseres voert aan dat geen overtreding kan worden vastgesteld, omdat de camerabeelden niet meer beschikbaar zijn en zij de geconstateerde feiten heeft bestreden. Voorts voert eiseres aan dat verweerder niet heeft gewezen op het recht op rechtsbijstand.
5.1.
Verweerder wijst erop dat de camerabeelden in eigendom zijn van eiseres en door toezichthouders ter plaatse zijn bekeken. In het rapport van bevindingen is volgens verweerder uitgebreid beschreven wat is waargenomen, namelijk dat de meerdere biggen onbedwelmd zijn geslacht. Eiseres had de camerabeelden zelf moeten veilig stellen indien zij deze had willen inbrengen, aldus verweerder. Tot slot wijst verweerder erop dat eiseres zelf heeft besloten deel te nemen aan cameratoezicht. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat het wijzen op het recht op rechtsbijstand plaatsvindt voorafgaand aan een verhoorsituatie, maar dat in dit geval geen sprake is geweest van een verhoorsituatie.
5.2.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Verweerder moet daarom het bewijs leveren dat eiseres de haar ten laste gelegde overtreding heeft begaan en moet daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Voor het bewijs dat eiseres de overtreding heeft begaan, steunt verweerder op de in het rapport van bevindingen beschreven waarnemingen van de toezichthouders. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [4] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund [5] .
5.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen in het rapport te twijfelen. In het rapport is duidelijk beschreven wat de toezichthouders op de camerabeelden hebben waargenomen, namelijk dat meerdere biggen onvoldoende bedwelmd zijn geweest bij het doden. In hetgeen eiseres heeft aangedragen ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan deze conclusies van de toezichthouder. Indien eiseres de camerabeelden had willen inbrengen, had zij er zelf voor dienen zorg te dragen dat de camerabeelden bewaard worden. De camerabeelden zijn immers haar eigendom en eiseres is door de toezichthouders direct op de hoogte gebracht van de geconstateerde overtredingen.
5.5
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres de genoemde bepalingen heeft overtreden. Verweerder was daarom bevoegd om eiseres een boete op te leggen.
6. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat verweerder haar niet heeft gewezen op rechtsbijstand overweegt de rechtbank het volgende. De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 september 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1135), onder rechtsoverweging 5.2.3, overwogen dat de betrokken overheidsinstantie degene tegen wie strafvervolging is ingesteld in elk geval moet hebben geïnformeerd over zijn recht op bijstand door een raadsman voordat deze persoon voor het eerst met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete wordt verhoord in de zin van artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrechtspraak. In de uitspraak van 24 december 2024, ECLI:RVS:2024:5293 volgt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit uitgangspunt van de Hoge Raad en ook het CBb doet dat in de uitspraak van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:111, rechtsoverweging 8.2. Dit betekent dat voor het moment waarop de betrokkene gewezen moet worden op het recht op bijstand door een raadsman, wordt aangesloten bij het moment waarop de cautie moet worden gegeven. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat niet dat er een verhoor heeft plaatsgevonden. De camerabeelden zijn in aanwezigheid van een medewerker van eiseres bekeken en diegene is een rapport van bevindingen aangezegd. Er zijn verder geen vragen gesteld en daarom was het niet noodzakelijk cautie te geven en te wijzen op het recht op bijstand door een raadsman. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de opgelegde bestuurlijke boete in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr.A. Verhoeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening (EG) nr. 1099/2009
Artikel 3, eerste lid
Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of
lijden wordt bespaard.
Artikel 4, eerste lid
Dieren worden uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid wordt aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden.
Artikel 6, eerste lid
Bedrijfsexploitanten plannen vooraf het doden van dieren en de daarmee verband houdende activiteiten, en voeren het doden uit overeenkomstig de standaardwerkwijzen.
Wet dieren
Artikel 6.2
1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften
van EU verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
(...)
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
Artikel 8.8, eerste lid
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor
categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:41
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
Artikel 5:46
1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst
van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de
omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke
boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
4. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Regeling dierlijke producten
Artikel 5.8
Als voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3, 4, eerste en vierde lid, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, 9, 12, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste, tweede en derde lid, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, 19, 21, zesde lid, 24 en 28, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.
Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren
Artikel 2.2, eerste lid, onder c en derde lid
1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende
boetecategorieën vastgesteld:
(...)
c. categorie 3: € 2500;
(...)
3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld
overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.
Artikel 2.3
Indien de risico's of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:
a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;
b. ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.

Voetnoten

1.Dossierstuk A14.
2.Productie 1, B-map
3.Verordening (EG) nr. 1099/2009 Verordening van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (Verordening 109/2009).