Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6319

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/1514
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening 1099/2009Art. 4 Verordening 1099/2009Art. 6.2 Wet dierenArt. 5.8 Regeling houders van dierenArt. 5:10a Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor overtreding dierenwelzijn bij bedwelming en doden van zeug

De zaak betreft een boete van €2.500 die de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft opgelegd aan eiseres wegens overtreding van de Wet dieren en Verordening (EG) nr. 1099/2009. De overtreding hield in dat bij het doden van een zeug de toestand van bewusteloosheid niet werd aangehouden tot de dood, waardoor het dier onnodig leed.

De toezichthouder van de NVWA constateerde op 16 augustus 2024 dat de bedwelming met een elektrische tang niet effectief was en dat de zeug tijdens het verbloeden weer bij bewustzijn kwam, wat ernstige stress en pijn veroorzaakte. De rechtbank oordeelt dat het rapport van bevindingen betrouwbaar is en dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij alles redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om de overtreding te voorkomen.

Eiseres voerde aan dat de standaardprocedure was gevolgd en dat het advies van 15 seconden voor het steken geen harde eis is, maar de rechtbank stelt dat eiseres verantwoordelijk is voor het voorkomen van onnodig lijden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €2.500 wegens onvoldoende bedwelming en onnodig lijden van een zeug.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1514

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: [directeur eiseres] ),
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder,

(gemachtigden: mr. D.J. van der Bij en mr. S.M. Geerding).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 2.500, - die verweerder met het besluit van 1 november 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 30 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder, vergezeld door [naam] .

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 15 oktober 2024 heeft verweerder een voornemen tot boeteoplegging naar eiseres gestuurd waarin staat dat op 16 augustus 2024 door een toezichthouder van de NVWA is vastgesteld dat eiseres er niet voor heeft zorg gedragen dat bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten, de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werden bespaard noch heeft zorggedragen dat de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid werd aangehouden tot bij het dier de dood was ingetreden. Eiseres heeft daarmee overtredingen begaan die op grond van de Wet dieren beboetbaar zijn.
3.1
In het rapport van bevindingen dat de toezichthouder op 30 september 2024 heeft opgemaakt staat onder meer het volgende:

Bevindingen:
Datum en tijdstip van de bevinding(en): 16 augustus 2024, omstreeks 07:50 uur.
Voor het uitvoeren van het toezicht op het slachten van vijf zeugen bevond ik mij in de slachthal van het slachthuis. Ik zag, dat de vijfde en daarmee laatste zeug naar de schietkooi werd gedreven door een slachthuismedewerker (hierna te noemen als slachthuismedewerker 1). De zeug weigerde meerdere keren voor de ingang van de schietkooi om door te lopen. Uiteindelijk heeft slachthuismedewerker 1 de keuze gemaakt om de zeug in de opdrijfgang te bedwelmen. Hij heeft het hek richting de stal gesloten, zodat de zeug niet terug naar de stal kon lopen. Vervolgens heeft hij de elektrische tang gepakt en zo dicht mogelijk bij de opdrijfgang geplaatst. De elektrische tang is met een kabel aan een apparaat verbonden en het apparaat is wederom via een kabel aangesloten aan het stopcontact. Qua lengte van beide kabels lukte het net om met de tang de zeug in de opdrijfgang te bereiken. Slachthuismedewerker 1 heeft een tweede slachthuismedewerker (hierna te noemen als slachthuismedewerker 2) gevraagd om het apparaat vast te houden. Slachthuismedewerker 1 heeft vervolgens de zeug met de elektrische tang door het hek heen bedwelmd. De slachthuismedewerker heeft een kopbedwelming uitgevoerd. Hij heeft de elektroden van de tang aan weerszijden van de kop van de zeug geplaatst. De zeug viel naar de grond en bleef liggen. Kopbedwelming en kop tot lichaam bedwelming met een elektrische tang worden aangemerkt als "eenvoudige" bedwelmingsmethodes omdat ze niet de onmiddellijke dood tot gevolg hebben. Deze manier van bedwelmen dient zo spoedig mogelijk gevolgd te worden door een methode die de dood garandeert, zoals steken/snijden om een dier te verbloeden. Bij het correct uitvoeren van de elektrische kopbedwelming wordt er elektrische stroom door de hersenen geleid, waardoor er gegeneraliseerde epileptiforme activiteit ontstaat en het dier onmiddellijk bewusteloos en gevoelloos raakt.
Ik kon nadat de zeug op de grond was gevallen alleen maar een deel van het hoofd zien en ik zag, dat een van de oogbollen recht vooruit gefixeerd was. Ik kon geen knipperen waarnemen. Na het bedwelmen heeft slachthuismedewerker 1 geprobeerd het hek te openen om de zeug op te kunnen takelen en om het dier vervolgens in de slachthal boven de bloedbak te verbloeden. Slachthuismedewerker 1 kwam er op dit moment achter, dat het hek niet richting de slachthal geopend kon worden, alleen richting de stal. Hij heeft de zeug vervolgens ter plekke gestoken om haar te verbloeden. Nadat slachthuismedewerker 1 de zeug had gestoken liep slachthuismedewerker 2 terug de slachthal in.
Enkele seconden na het steken zag ik, dat de zeug weer bij bewustzijn kwam. Dat kon ik duidelijk zien, omdat de zeug in de benen kwam en richting de schietkooi begon te lopen. Slachthuismedewerker 1 riep slachthuismedewerker 2 er weer bij. Slachthuismedewerker 1 ging achter de zeug staan, welke inmiddels de schietkooi in was gelopen en daar stond. De zeug keek onrustig om zich heen, ademdezwaar en had haar ogen wijd open staan, terwijl zij uit het steekgat in haar hals bloedde. De zeug was duidelijk gestrest, had ernstige pijn en was ernstig vermijdbaar aan het lijden.
Slachthuismedewerker 2 heeft op aanwijzing van slachthuismedewerker 1 de zeug opnieuw geprobeerd te bedwelmen met de elektrische tang. Ik zag, dat het apparaat van de elektrische bedwelming niet aanstond, het beeldscherm was zwart en er brandden geen lampjes. Slachthuismedewerker 2 merkte ook op, dat de tang niet meer werkte en heeft geprobeerd het apparaat weer aan te zetten door de kabel van het apparaat opnieuw goed en stevig in het stopcontact te drukken. De lampjes van het apparaat gingen vervolgens weer even aan en er verschenen weer letters of cijfers op het beeldscherm. De zeug zakte door de benen, maar ademde nog steeds. Slachthuismedewerker 2 heeft, toen de lampjes van het apparaat weer aan waren gegaan, opnieuw de tang op de kop van de zeug geplaatst. Enkele seconden nadat de lampjes van het apparaat aan waren gegaan gingen deze weer uit en was het beeldscherm weer zwart. Er vloeide dus weer geen stroom. Ik, inspecteur met toezichthoudernummer 0159485, heb opdracht gegeven om de zeug na te bedwelmen met een schietmasker. Slachthuismedewerker 1 gaf aan, dat hij dat wel kon doen, maar dat hij net de ooglidreflexen gecontroleerd heeft, en datde zeug al bewusteloos was. Toen ik vervolgens de bewusteloosheid van de zeug controleerde, bewoog deze inderdaad niet meer, vertoonde geen ademhaling meer of knipperen van de ogen.
Op woensdag, 28 augustus 2024, heb ik samen met collega-inspecteur, tevens toezichthouder met toezichthoudernummer 0130041, en [naam] , slachthuisexploitant, de camerabeelden van het incident op 16 augustus 2024 bekeken.
Wij zagen dat de camerabeelden van goede kwaliteit waren. Op de camerabeelden van de camera,gericht op de opdrijf gang, was te zien, dat de zeug zich rond 07: 57 uur in de opdrijfgang bevond en er besloten werd om de zeug in de opdrijfgang te bedwelmen. Ik zag dat de zeug om 07:58:37 uur door slachthuismedewerker 1 met de elektrische tang bedwelmd werd. De zeug viel vervolgens op de grond neer. Om 07:58:43 uur grijpt slachthuismedewerker 1 nog een keer na met de tang, waardoor er even geen stroom door het varken vloeide. Vervolgens werd de tang ongeveer 16 seconden lang op het varken gehouden. Vervolgens probeerde slachthuismedewerker 1 het hek richting de slachthal te openen, wat niet lukte. Het duurde ongeveer 30 seconden vanaf het moment dat de tang van het varkengehaald werd tot het moment, dat slachthuismedewerker 1 de zeug ging steken. Ik kon op de camerabeelden zien, dat de zeug met haar achterpoten een korte schoppende beweging maakte, op het moment dat slachthuismedewerker 1 de borststeek bij de zeug uitvoerde. Hieruit concludeer ik, dat de schoppende beweging een reactie op de borststeek was. 17 seconden na de borststeek, kwam de zeug weer in de benen en begon richting de schietkooi te lopen.
Ik stelde vast dat het bewustzijnsverlies na de bedwelming niet aanhield tot het dier dood was. Ik zag namelijk dat de zeug tijdens het verbloeden overeind kwam en begon te lopen. Het dier was daarmee ernstig vermijdbaar lijden, stress en pijn berokkend.
(…)
Ik heb [naam] als exploitant van bovengenoemd bedrijf mondeling op de hoogte gebracht van mijn bevindingen en heb ter zake een Rapport van Bevindingen aangezegd. Het rapport is daarnaast per e-mail aangezegd op datum 16 augustus 2024 om 11:36 uur aan [naam] (zie aanzegging per e-mail).
Verhoor:
Datum van het verhoor: 16 augustus 2024 om 11:01 uur.
Identiteitsgegevens van de gehoorde persoon is:
Naam : [naam]
Voornamen : [naam]
Functie : Slachthuisexploitant
De identiteit van de gehoorde persoon is geverifieerd aan de hand van zijn naam.
Dit verhoor heeft met uitdrukkelijke instemming van de gehoorde telefonisch plaatsgevonden.
Ik bracht [naam] van mijn bevindingen op de hoogte en deelde hem mede dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur naar aanleiding hiervan een bestuurlijke boete kan opleggen. Tevens zei ik hem, ingevolge het bepaalde in artikel 5: 10a van de Algemene wet bestuursrecht, dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Hierop verklaarde hij mij zoveel mogelijkweergegeven in zijn eigen woorden, het volgende:
"Het is geen standaardprocedure, maar het was in dit geval de Juiste beslissing om de zeug niet in de schietkooi te bedwelmen. Vervolgens zou ik het een verkeerde beslissing gevonden hebben om de zeug eerst op te takelen. Het was goed, dat zij de zeug meteen gestoken hebben. Ik vind een rapport van bevindingen een stap te ver gaan."
(…)”
3.2
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres een overtreding heeft begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren, artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 1099/2009 [1] .
Verweerder heeft gelet op het Algemene Interventiebeleid NVWA en het Specifiek Interventiebeleid Doden van gehouden dieren vastgesteld dat eiseres een zware overtreding heeft begaan. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 2.500, -. Dit is het standaardboetebedrag dat daarvoor geldt op grond van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres voert aan dat de standaard procedure voor het bedwelmen van de zeug is gevolgd en valt haar niet te verwijten dat de bedwelming niet het gewenste resultaat had. Juist vanuit een oogpunt van dierenwelzijn is besloten om het dier niet naar de schietkooi te drijven maar in de drijfgang te bedwelmen en te verbloeden. Achteraf kan volgens eiseres weliswaar worden gesteld dat de bedwelming niet toereikend was, maar door haar medewerkers zijn alle handelingen en controles overeenkomstig de werkinstructies en regelgeving gedaan. Een boete opleggen acht eiseres dan ook niet rechtvaardig. Eiseres voert verder aan dat het binnen 15 seconden steken van een zeug, zoals opgenomen in het EFSA Journal, geen eis maar een advies is en dat haar standaardwerkwijze van 75 seconden, die is goedgekeurd door de NVWA, hier ook niet aan voldoet. Eiseres verwijst tot slot naar haar bezwaarschrift.
4.1.
Verweerder stelt geen aanleiding te zien te twijfelen aan de bevindingen zoals neergelegd rapport van 30 september 2024. Verweerder wijst erop dat eiseres erkent dat de bedwelming niet toereikend was. Verweerder wijst er verder op dat het volgen van de standaard procedure en/of werkwijze niet relevant is, omdat eiseres er alles aan had moeten doen om de zeug iedere vermijdbare vorm van pijn, spanning en lijden te besparen en om ervoor te zorgen dat de toestand van bewusteloosheid aanhoudt tot bij het dier de dood is ingetreden. Het niet voldoen aan deze norm valt eiseres dan ook te verwijten.
4.2.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Verweerder moet daarom het bewijs leveren dat eiseres de haar ten laste gelegde overtreding heeft begaan en moet daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Voor het bewijs dat eiseres de overtreding heeft begaan, steunt verweerder op de in het rapport van bevindingen beschreven waarnemingen van de toezichthouder. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [2] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund [3] .
4.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen in het rapport te twijfelen. In het rapport is duidelijk beschreven wat de toezichthouder bij de zeug heeft waargenomen, namelijk dat het dier onvoldoende bedwelmd is geweest alvorens is begonnen met het steken. Voorts heeft de toezichthouder in het rapport voldoende gemotiveerd dat het dier niet iedere vermijdbare vorm van pijn, spanning en lijden is bespaard. De toezichthouder heeft duidelijk beschreven dat de zeug tijdens het verbloeden overeind kwam en begon te lopen. Daarmee heeft de toezichthouder duidelijk beschreven dat de toestand van bewusteloosheid niet is aangehouden totdat bij het dier de dood is ingetreden. In hetgeen eiseres heeft aangedragen ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan deze conclusies van de toezichthouder.
4.4.
Verweerder heeft gezien het voorgaande terecht vastgesteld dat eiseres er niet voor heeft zorg gedragen dat bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten, de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werden bespaard nog heeft zorggedragen dat de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid werd aangehouden tot bij het dier de dood was ingetreden. (vgl. ook de uitspraken van het CBb van 25 maart 2025, ECLI:NL:CBB:2025:174 en 30 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:532).
4.5.1
Ten aanzien van het betoog van eiseres dat haar de overtreding niet kan worden verweten, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank overweegt dat verweerder, gelet op artikel 5:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, niet over de bevoegdheid beschikt om aan eiseres een boete op te leggen als zij van de geconstateerde overtredingen geen verwijt treft. Het bestuursorgaan hoeft de verwijtbaarheid niet te bewijzen, maar mag deze veronderstellen als het daderschap vaststaat, mits tegenbewijs mogelijk is. Het is in dit geval dan ook aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de vastgestelde overtreding te voorkomen. (vgl. de uitspraak van het CBB van 25 maart 2025, ECLI:NL:CBB:2025:177)
4.5.2
De rechtbank is van oordeel dat eiseres hierin niet is geslaagd. Haar enkele stelling dat zij de juiste procedures en werkinstructies heeft gevolgd, is, afgezet tegen de bevindingen uit het rapport van bevindingen, onvoldoende voor het oordeel dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen.
4.6
Voor zover eiseres nog heeft verwezen naar haar bezwaarschrift, overweegt de rechtbank dat verweerder hierop is ingegaan in het bestreden besluit. Eiseres heeft niet aangevoerd waarom de reactie van verweerder niet juist of onvolledig zou zijn.

Conclusie en gevolgen

5 De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de overtredingen heeft begaan en deze haar verwijtbaar zijn. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr.A. Verhoeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Verordening (EG) nr. 1099/2009
Artikel 3, eerste lid
Algemene voorschriften voor het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten
1. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn,
spanning of lijden wordt bespaard.
Artikel 4, eerste lid
1. Dieren worden uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid wordt aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden. De in bijlage I vermelde methoden die niet de onmiddellijke dood tot gevolg hebben (hierna „eenvoudige bedwelming" genoemd), worden zo spoedig mogelijk gevolgd door een methode die de dood garandeert, zoals verbloeden, pithing, elektrocutie of langdurige blootstelling aan zuurstoftekort.
Wet dieren
Artikel 6.2
1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften
van EU verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
(...)
Artikel 8.6
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. a) overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens:
1°. de artikelen 2.2, negende en tiende lid, 2.3, derde en vierde lid, 2.4, eerste, tweede en derde lid, 2.5, eerste en tweede lid, 2.6, eerste, tweede en derde lid, 2.7, eerste tot en met derde lid, 2.8, eerste lid, onderdelen b en c, en vierde lid, onderdeel f, 2.10, tweede, derde en vierde lid, 2.17, 2.18, 2.18a, 2.19, eerste lid, 2.20, 2.21, eerste en derde lid, 2.22, eerste, tweede en derde lid, 3.1, 3.2, eerste en tweede lid, 3.4, 3.5, eerste en derde lid, 3.7, 5.1, derde lid, tweede volzin, 5.4, eerste lid, 5.5, eerste lid, 5.6, eerste en vijfde lid, 5.10, 5.11, 5.12 of 10.2, eerste lid;
2°. een van de bepalingen, bedoeld in onderdeel a, in samenhang met de artikelen 6.2, eerste lid, 6.4, eerste lid, 7.1, 7.2, eerste of derde lid, 7.5, derde lid, of 10.5, eerste lid;
b) overtreder: degene die de overtreding pleegt of mede pleegt.
2. Indien een overtreding is gepleegd door een rechtspersoon, wordt onder overtreder mede verstaan: degene die tot de overtreding opdracht heeft
gegeven of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.
Artikel 8. 7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1
(...)
2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
(...)
Artikel 5:41
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

Voetnoten

1.Verordening (EG) Nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (Verordening nr. 1099/2009).