ECLI:NL:RBROT:2026:8449

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
12255540 VV EXPL 26-321
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 lid 3 BWArt. 7:653 lid 5 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen schorsing relatie- en concurrentiebeding bij overstap naar directe concurrent

Werkneemster was tot 1 januari 2026 in dienst bij werkgever en wil nu bij een directe concurrent gaan werken. Het relatie- en concurrentiebeding in haar arbeidsovereenkomst verbiedt dit. Zij vordert schorsing van het beding, maar de kantonrechter wijst dit af omdat het beding een zwaarwegend bedrijfsbelang van werkgever beschermt.

De kantonrechter stelt vast dat de concurrent een vliegende start heeft gemaakt met klanten die van werkgever zijn overgestapt, mede door oud-medewerkers van werkgever. Werkneemster was het gezicht voor klanten en wil actief meewerken aan het overhalen van klanten naar de concurrent. Dit rechtvaardigt het concurrentiebeding.

Er is geen sprake van onbillijke benadeling van werkneemster. Haar moeilijkheden bij het vinden van werk worden vooral veroorzaakt door haar wens haar hond mee te nemen naar het werk of thuis te werken, niet door het beding. Werkneemster moet de proceskosten van werkgever betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering tot schorsing van het relatie- en concurrentiebeding af en veroordeelt werkneemster in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12255540 VV EXPL 26-321
datum uitspraak: 10 juli 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres](hierna: ‘werkneemster’),
woonplaats: [woonplaats] (gemeente Hoeksche Waard),
eiseres,
die zelf procedeert,
tegen
DebiCare Nederland B.V.(hierna: ‘werkgever’),
vestigingsplaats: Barendrecht,
gedaagde,
gemachtigde: mr. V. Kortenbach.

1.De samenvatting

Werkneemster wil in dienst treden bij een directe concurrent van werkgever. Het relatie- en concurrentiebeding verbiedt dit. Werkneemster vraagt om schorsing van dat beding. De kantonrechter ziet daar geen reden voor. Het beding beschermt een zwaarwegend belang van werkgever en werkneemster wil in dienst treden bij de grootste concurrent van werkgever. Het relatie- en concurrentiebeding benadeelt werkneemster niet zodanig dat dit schorsing van het beding rechtvaardigt. Niet uit te sluiten valt dat niet dat beding er de oorzaak van is dat werkneemster nog geen ander werk heeft, maar haar wens haar hond mee te nemen naar haar werk of anders thuis te mogen werken.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 12 juni 2026, met bijlagen;
  • het antwoord van werkgever, met bijlagen.
2.2.
Op 29 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken.

3.Het geschil

3.1.
Werknemer was tot 1 januari 2026 in dienst bij werkgever. De arbeidsovereenkomst bepaalt:
Artikel 11. Relatie- en concurrentiebeding
1. Het is Werkneemster verboden binnen een tijdvak van 12 maanden na beëindiging
van de arbeidsovereenkomst zakelijk contact te hebben met relaties van Werkgeefster of aan haar gelieerde ondernemingen.
2. Het is Werkneemster verboden binnen een tijdvak van 12 maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in enigerlei vorm, direct of indirect, werkzaam, behulpzaam of betrokken te zijn bij een bedrijf gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan dat van Werkgeefster, hetzij tegen vergoeding hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard ook te hebben, tenzij Werkneemster daartoe voorafgaande schriftelijke toestemming van Werkgeefster heeft gekregen, aan welke toestemming Werkgeefster voorwaarden kan verbinden.
3.2.
Werkneemster wil in dienst treden bij [naam bedrijf], een concurrent van werkgever. Werkgever wil dit niet. Werkneemster vordert, samengevat:
1.
primairhet relatie- en concurrentiebeding te schorsen, zodat zij bij [naam bedrijf] kan gaan werken, althans het relatiebeding te beperken tot door de kantonrechter te bepalen specifieke relaties of tot een door de kantonrechter te bepalen regio;
2.
subsidiairwerkgever te veroordelen tot betaling van een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor iedere maand dat het concurrentie- en relatiebeding haar belemmert ergens anders te werken.
3.3.
Werkgever voert verweer.
3.4.
Is dit voor de beoordeling van belang, dan wordt hierna ingegaan op wat partijen naar voren brengen.

4.De beoordeling

relatie- en concurrentiebeding
4.1.
Dit is een kort geding. Dit betekent dat een relatie- en concurrentiebeding alleen geschorst kan worden, niet vernietigd. De kantonrechter kan het beding schorsen als voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het concurrentiebeding zal vernietigen. Dit kan aan de orde zijn als [1] :
a. het beding niet noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen, of
b. in verhouding tot het te beschermen belang van werkgever, werknemer onbillijk door het beding wordt benadeeld.
4.2.
De kantonrechter ziet geen reden om het relatie- en concurrentiebeding te schorsen. Werkneemster wil in dienst treden bij [naam bedrijf], een directe concurrent van werkgever. [naam bedrijf] is op 9 oktober 2025 opgericht door drie oud-medewerkers van werkgever. Een vierde ex-werknemer is daar inmiddels ook gaan werken. [naam bedrijf] heeft een vliegende start gemaakt doordat maar liefst 14 klanten van werkgever naar hen zijn overgestapt. Werkgever heeft onweersproken gesteld dat het volledige klantenbestand van [naam bedrijf] bestaat uit klanten, die eerst klant waren bij werkgever. [naam bedrijf] zit drie straten bij werkgever vandaan. Werkneemster was voor de klanten die zij bediende het ‘gezicht’ van werkgever. Werkgever wil voorkomen dat indiensttreding van werkneemster bij [naam bedrijf] ertoe leidt dat nog een of meer van haar klanten naar [naam bedrijf] vertrekken. Het is niet ondenkbeeldig dat dit gebeurt, (deels) door toedoen van werkneemster zelf. Op de zitting maakte werkneemster immers over [naam 1], een grote klant van werkgever, de volgende opmerking:
Werkgever is vooral bang voor [naam 1]. Ik heb toen tegen [naam 2] gezegd: kun je [naam 1] niet alvast binnenhalen, maar dat wilde hij niet.
[naam 2] is één van de oud-medewerkers van werkgever, die [naam bedrijf] heeft opgericht. Werkneemster heeft uitgelegd dat haar idee was, dat als [naam 1] toch al naar [naam bedrijf] zou zijn overgestapt, er geen reden meer voor werkgever meer zou zijn om haar daar niet te laten werken (lees: aan haar concurrentie- en relatiebeding te houden). De kantonrechter begrijpt uit de opmerkingen dat het niet alleen reëel is om te denken dat werkneemster door bij [naam bedrijf] te gaan werken klanten van werkgever mee kan nemen, maar dat zij ook actief wil meewerken aan de overstap van klanten naar [naam bedrijf]. Het relatie- en concurrentiebeding probeert nu juist dat zwaarwegende bedrijfsbelang –voorkomen dat klanten overstappen – van werkgever te beschermen.
4.3.
Het relatie- en concurrentiebeding is rechtsgeldig overeengekomen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kan werkgever werkneemster daaraan houden en is er geen grond voor matiging. Dat een deel van het huidige personeel van werkgever géén relatie- en concurrentiebeding heeft, maakt dit niet anders. Werkgever geeft daarvoor de volgende verklaring, die de kantonrechter niet onaannemelijk voorkomt. Een van die ex-werknemers, die [naam bedrijf] heeft opgericht, was bij werkgever verantwoordelijk voor het personeelsbeleid, en dus de inhoud van de arbeidsovereenkomsten. Zonder overleg met de directie van werkgever, zijn er vanaf medio 2022 geen concurrentie- en relatiebedingen meer opgenomen in de arbeidsovereenkomsten van het nieuwe personeel. Denkbaar is dat de oprichters van [naam bedrijf], in de periode dat zij nog voor werkgever werkten, op deze manier zijn gaan voorsorteren op de mogelijkheid om collega’s mee te kunnen nemen naar hun nog op te richten concurrerende onderneming. Dat wordt moeilijk als zij een concurrentie- en relatiebeding hebben. Ook opvallend is overigens dat de arbeidsovereenkomsten met de drie oprichters van [naam bedrijf] zich niet meer bevinden in de administratie van werkgever, aldus werkgever. Of in die arbeidsovereenkomsten een relatie- en concurrentiebeding staat kan werkgever niet meer controleren. Daaraan kan werkgever dus ook geen rechten meer ontlenen.
4.4.
Van onbillijke benadeling van werkneemster door het beding is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen sprake. Dat is dus ook geen reden om het beding te schorsen. Voor een vergoeding omdat het beding werkneemster in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van werkgever te werken [2] komt werkneemster daarom ook niet in aanmerking. Werkneemster had aansluitend aan haar dienstverband een andere baan. Zij is daar echter in haar proeftijd ontslagen en sindsdien is het haar niet meer gelukt om een baan te vinden. Werkneemster verklaart daarover:
Ik ben in mijn proeftijd ontslagen. Ik nam mijn hond mee naar kantoor. Dat was goed, werd aanvankelijk gezegd, maar mijn collega’s waren bang voor mijn hond. Ik hoor de advocaat van werkgever zeggen dat mijn hond het probleem is, dat ik daarom nog geen ander werk heb, maar het had ook mijn kind kunnen zijn. Of je nu een hond hebt of een kind, daar hou je toch rekening mee. Naar de hondenopvang kan hij niet want hij is niet gecastreerd.
4.5.
Werkneemster heeft op de zitting verklaard dat zij een baan zoekt waarbij zij ofwel haar hond mee naar haar werk mag nemen of thuis mag werken. Bij de hondenopvang is haar hond niet welkom omdat hij niet gecastreerd is. Op de vraag van de kantonrechter waarom werkneemster haar hond dan niet laat castreren, was haar reactie dat zij dat niet nodig vindt, omdat zij immers een mooie baan kan krijgen bij [naam bedrijf]. Het staat werkneemster natuurlijk vrij om ervoor te kiezen haar hond niet te laten castreren en het belang van haar hond boven haar belang op inkomen te stellen, maar als dit op sollicitatiegesprekken naar voren wordt gebracht, dan kan de kantonrechter zich voorstellen dat dit een potentiële werkgever afschrikt. Inderdaad niet het relatie- en concurrentiebeding staat dan aan een andere baan in de weg, zoals werkgever stelt, maar de hond. Dat kan werkgever niet verweten worden.
proceskosten
4.6.
Werkneemster krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van werkgever uit € 577,00 aan salaris voor haar gemachtigde en uit € 144,00 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 721,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis door een deurwaarder uitgereikt moet worden. De rente over de proceskosten is toewijsbaar vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis.
uitvoerbaar bij voorraad
4.7.
Dit vonnis wordt wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat als deze zaak aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van de uitspraak van die hogere rechter afgedwongen kan worden dat aan de proceskostenveroordeling wordt voldaan.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering van werkneemster af;
5.2.
veroordeelt werkneemster in de proceskosten, aan de kant van werkgever begroot op een bedrag van € 721,00, met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag dat dit bedrag volledig is betaald;
5.3.
verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
686

Voetnoten

1.Artikel 7:653 lid 3 Burgerlijk Pro Wetboek
2.Artikel 7:653 lid 5 Burgerlijk Pro Wetboek