ECLI:NL:RBROT:2026:8549

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/9862
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.G.L. de Vette
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij leerlingenvervoer

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor leerlingenvervoer voor haar zoon voor het schooljaar 2025/2026. Het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht heeft dit toegewezen voor de periode van 15 september 2025 tot 1 maart 2026. Eiseres was het niet eens met de beperkte duur van het vervoer en stelde beroep in tegen het bestreden besluit van 18 november 2025, waarin het college de toekenning handhaafde.

Tijdens de procedure gaf het college aan dat eiseres ondersteuning ontvangt via een traject van MEE Op Weg, gericht op zelfstandige begeleiding van haar kind. Na een evaluatiegesprek in februari 2026 besloot het college het leerlingenvervoer te verlengen tot 31 juli 2026, het einde van het schooljaar, en stelde het een nieuwe beschikking op 25 maart 2026 op. Eiseres maakte bezwaar tegen dit latere besluit, maar dit bezwaar is nog in behandeling.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk is omdat het procesbelang ontbreekt. De toegewezen periode is verstreken en het college heeft het vervoer inmiddels verlengd. Eiseres kan met het beroep niet bereiken dat het vervoer wordt verlengd. Ook is niet gebleken dat zij schade heeft geleden. Het verzoek om een proceskostenvergoeding levert geen zelfstandig procesbelang op. Het beroep wordt daarom niet inhoudelijk behandeld en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een actueel procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9862

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde: mr. I. Car),
en

het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht, het college

(gemachtigde: mr. J.V. Dieckmann).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toewijzing van de aanvraag van eiseres voor leerlingenvervoer voor haar zoon [naam] voor de periode van 15 september 2025 tot 1 maart 2026. Eiseres is het niet eens met de periode van de toekenning. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij haar beroep. Het beroep is dus niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor leerlingenvervoer voor het schooljaar 2025/2026. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 21 augustus 2025 toegewezen voor tien ritten per week voor de periode van 15 september 2025 tot 1 maart 2026. Met het bestreden besluit van 18 november 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het college bij de toekenning voor de duur van deze periode gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 11 juli 2025 een aanvraag ingediend voor leerlingenvervoer voor haar zoon [naam]. Het college heeft met het primaire besluit leerlingenvervoer toegekend voor de periode van 15 september 2025 tot 1 maart 2026. Het college heeft dit besluit gehandhaafd in het bestreden besluit. Het college heeft eveneens overwogen dat eiseres ondersteuning ontvangt vanuit MEE Op Weg. Dit traject is er op gericht dat zij uiteindelijk zelfstandig haar kind naar school kan begeleiden. Het traject duurt 12 weken. Eiseres kan dit traject voor de einddatum afronden, waarna redelijkerwijs mag worden verwacht dat eiseres haar kind zelfstandig naar school kan brengen. In februari 2026 zal daarnaast een evaluatiegesprek plaatsvinden, waarna zal worden beoordeeld of leerlingenvervoer nog steeds noodzakelijk wordt geacht.
Het beroep van eiseres
4. Eiseres is het niet eens met de toekenning van het leerlingenvervoer tot 1 maart 2026. Zij kan zich niet verenigen met de einddatum van het leerlingenvervoer, nu deze voor het einde van het schooljaar eindigt. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Eiseres draagt de zorg voor haar minderjarige kinderen, is afkomstig uit oorlogsgebied en is tevens mantelzorger voor haar partner, die ernstig getraumatiseerd is en geen enkele bijdrage kan leveren aan de zorg- en huishoudelijke taken. Hierdoor is eiseres structureel overbelast. Dat het college verwacht dat eiseres een traject ingaat, werkt onevenredig bezwarend en veroorzaakt aanzienlijke psychische stress. Onder deze omstandigheden, had het college niet over kunnen gaan tot toekenning van leerlingenvervoer tot halverwege het schooljaar.
Omvang van het geding
5. Op 24 februari 2026 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden tussen eiseres en het college. Tijdens dit gesprek heeft eiseres aangegeven om uiteenlopende redenen geen gebruik te willen maken van het traject van MEE Op Weg. In het belang van het kind heeft het college besloten de huidige indicatie voort te zetten tot en met 31 juli 2026. Het college heeft dit opgenomen in haar besluit van 25 maart 2026. In dit besluit is tevens vermeld dat van ouders wordt verwacht dat zij ook zelf een deel van het vervoer op zich nemen. Aan eiseres is voorgesteld dat zij één dag per week [naam] naar school brengt en ook weer ophaalt. Van eiseres wordt verwacht dat zij in de komende maanden aanpassingen in haar leven maakt zodat zij het volgend schooljaar wel een deel van het vervoer op zich kan nemen.
6. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 maart 2026. Deze bezwaarprocedure loopt nog. Ter zitting is met partijen de omvang van het geding besproken. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres enkel ziet op de beoordeling van het bestreden besluit van 18 november 2025.
Procesbelang
7. De rechtbank constateert dat in het bestreden besluit leerlingenvervoer is toegekend voor het schooljaar 2025/2026 tot 1 maart 2026. Deze datum is al voorbij. Daarnaast is het college in het besluit van 25 maart 2026 alsnog overgegaan tot toekenning van leerlingenvervoer voor tien ritten per week tot het einde van het schooljaar 2025/2026. Gelet op deze omstandigheden dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of eiseres nog voldoende procesbelang heeft bij haar beroep.
8. Desgevraagd heeft eiseres in de brief van 29 april 2026 het standpunt ingenomen dat zij nog altijd een procesbelang heeft bij het beroep. Eiseres heeft namelijk de indruk dat het college niet voornemens is het leerlingenvervoer te verlengen. Er bestaat daarom een concreet en actueel belang bij een voortzetting van het beroep. Tegen het besluit van 25 maart 2026 heeft eiseres ook bezwaar gemaakt. Op de zitting heeft eiseres verder aangevoerd dat zij ook nog procesbelang ontleent aan het verkrijgen van een proceskostenvergoeding.
9. Het procesbelang van eiseres is het belang dat zij heeft bij de uitkomst van een door haar ingestelde procedure. Daarbij gaat het erom of het doel wat eiseres met haar beroep voor ogen staat ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van het resultaat voor haar van feitelijke betekenis is. [1] Ook kan een procesbelang worden aangenomen als sprake is van geleden schade door de besluitvorming van het college. [2] Verder kan het belang van een oordeel over de rechtmatigheid van een besluit zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel over dat besluit kan worden betrokken bij toekomstige besluiten. [3] De wens om een (principieel) inhoudelijk oordeel te krijgen over de rechtmatigheid van een besluit is onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
10. De rechtbank is van oordeel dat wat eiseres heeft aangevoerd, onvoldoende is om een procesbelang aan te nemen. Het toegekende leerlingenvervoer tot 1 maart 2026 betreft een afgesloten periode in het verleden. Inmiddels heeft het college alsnog leerlingenvervoer voor de rest van het schooljaar verstrekt. Eiseres kan met deze procedure dus niet langer bereiken dat het leerlingenvervoer wordt verlengd tot het einde van het schooljaar. Ook is gesteld noch gebleken dat eiseres schade heeft geleden. Voor zover een inhoudelijk oordeel zou kunnen worden betrokken bij een nieuwe aanvraag stelt de rechtbank voorop dat eiser ook bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 25 maart 2026. Het college zal een beslissing moeten nemen op dit bezwaar. Verder heeft eiseres op de zitting meegedeeld dat onzeker is of [naam] in de toekomst naar dezelfde school zal gaan als in schooljaar 2025/2026. Mocht [naam] naar een andere school gaan, dient een nieuwe aanvraag op eigen merites te worden beoordeeld. Gelet hierop is onvoldoende aannemelijk dat de beoordeling van het onderhavige beroep van belang is voor de beoordeling van eventuele toekomstige aanvragen. Wat eiseres wil is in feite een principieel oordeel over de einddatum van 1 maart 2026, maar dat levert evenmin een procesbelang op.
11. In het verkrijgen van een proceskostenveroordeling op zichzelf is ook geen procesbelang gelegen. [4] Ook het verzoek om een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase levert geen zelfstandig procesbelang op. [5] Hiervoor gelden twee uitzonderingen. Procesbelang moet wel aanwezig worden geacht als het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. Deze uitzonderingen doen zich hier niet voor.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4404.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2846.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2310.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3358.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2323.