ECLI:NL:RBROT:2026:8948

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
12215730 VZ VERZ 26-2279
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:628 lid 1 BWArt. 7:653 lid 4 BWArt. 7:669 lid 3 onder e BWArt. 7:670b lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever met toekenning transitie- en billijke vergoeding

De werknemer was sinds 2017 in dienst bij de werkgever, een technologiebedrijf gespecialiseerd in audiovisuele en IT-oplossingen. Er ontstond een conflict over urenregistratie en een incident op 9 maart 2026 leidde tot officiële waarschuwingen en gesprekken over beëindiging van het dienstverband. De werknemer tekende twee vaststellingsovereenkomsten, waarvan hij stelde dat er sprake was van wilsgebrek en dat hij deze tijdig had herroepen.

De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt en dat ontbinding billijkheidshalve gerechtvaardigd is. De werkgever heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door de werknemer onder dreiging van ontslag op staande voet twee vaststellingsovereenkomsten te laten tekenen, waarbij de wettelijke bedenktijd werd omzeild. Dit schending van de werknemersbescherming leidde tot toekenning van een transitievergoeding van €17.523,79 en een billijke vergoeding van €25.000 bruto.

De werkgever moet ook het achterstallige loon over april tot en met juni 2026 betalen, inclusief wettelijke verhoging en rente, en het loon vanaf juli 2026 tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Het concurrentiebeding komt te vervallen vanwege het ernstig verwijtbaar handelen. Proceskosten worden toegewezen conform het liquidatietarief, en beide partijen krijgen de mogelijkheid hun verzoeken tot 10 juli 2026 in te trekken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 september 2026 met toekenning van transitievergoeding en een billijke vergoeding van €25.000 bruto wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12215730 VZ VERZ 26-2279
datum uitspraak: 1 juli 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker]
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoeker,
verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek,
gemachtigde: mr. E.A. Vroege-Scheffers,
tegen
[verweerster] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats] ,
verweerster,
verzoekster in het voorwaardelijke tegenverzoek,
gemachtigde: mr. H. Mouselli.
De partijen worden hierna [werknemer] en [werkgever] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift (ontvangen op 5 mei 2026), met bijlagen;
  • het verweerschrift (ontvangen op 17 mei 2026) waarin ook een voorwaardelijk tegenverzoek wordt gedaan, met bijlagen;
  • een usb-stick met een geluidsbestand van [werknemer] ;
  • het verweerschrift van [werknemer] in verband met het voorwaardelijke tegenverzoek.
1.2.
De zaak is op 26 mei 2026 tijdens een mondelinge behandeling besproken. De zaak is gelijktijdig behandeld met het kort geding tussen [werknemer] als eiser en [werkgever] als gedaagde (zaaknummer 12215687 VV EXPL 26-260). [werknemer] was aanwezig met mr. E.A. Vroege-Scheffers en mr. J.M. Buist. Namens [werkgever] zijn verschenen [persoon A] ( hr-manager ), [persoon B] ( director supply chain ) en [persoon C] ( CEO/eigenaar ) met de gemachtigde mr. H. Mouselli.
1.3.
Kort voor de mondelinge behandeling - tijdens het Pinksterweekend - heeft [werkgever] nog nadere producties ingediend. Ook zijn er pleitaantekeningen ingediend met daarin opgenomen een verweerschrift, tegenverzoeken en een conclusie van antwoord. [werknemer] heeft tegen deze late indiening bezwaar gemaakt. De kantonrechter heeft dit bezwaar gehonoreerd. [werkgever] is van gemachtigde gewisseld en daardoor in tijdnood geraakt maar dit komt voor rekening en risico van [werkgever] . De nadere producties zijn niet aan het dossier toegevoegd omdat ze te laat zijn ingediend. Dat geldt ook voor de pleitaantekeningen en de daarin opgenomen stukken. De gemachtigde van [werkgever] heeft de gelegenheid gehad te reageren op het verzoekschrift van [werknemer] en zijn verweerschrift aan de hand van haar pleitaantekeningen. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
1.4.
[werknemer] heeft op 21 mei 2026 een verweerschrift ingediend in verband met het voorwaardelijke tegenverzoek van [werkgever] . [werkgever] heeft op haar beurt bezwaar gemaakt tegen dit verweerschrift. Dat is volgens haar niet tijdig, dat wil zeggen tien dagen voor de mondelinge behandeling, ingediend. De kantonrechter honoreert dit bezwaar niet. Het verweerschrift is een reactie op het voorwaardelijke tegenverzoek dat dateert van (zondag) 17 mei 2026. Het verweerschrift van [werknemer] - zonder bijlagen - is binnen enkele dagen daarna ingediend. Dit is inderdaad niet tien dagen voor de mondelinge behandeling maar gelet op de datum van indiening van het verweerschrift was dit niet te voorkomen. Het verweerschrift bevat ook verzoeken voor het geval de kantonrechter het ontbindingsverzoek van [werkgever] toewijst. De verzoeken zijn (grotendeels) gelijk aan die in het ontbindingsverzoek van [werknemer] . [werkgever] was daarmee dus al bekend en heeft voldoende adequaat kunnen reageren.
1.5.
In het kort geding dat gelijktijdig is behandeld is uitspraak gedaan op 10 juni 2026. Het (achterstallige) loon van [werknemer] is toegewezen met de wettelijke verhoging over het loon van april en mei 2026. De vorderingen tot wedertewerkstelling en het ter beschikking stellen van de leaseauto zijn afgewezen. Ten slotte is [werkgever] veroordeeld tot betaling van de proceskosten volgens het liquidatietarief.

2.De verzoeken

Het ontbindingsverzoek met nevenverzoeken van [werknemer]
2.1.
vraagt de kantonrechter:
  • voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] en [werknemer] onverkort voortduurt;
  • de arbeidsovereenkomst te ontbinden met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn;
  • [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding;
  • [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 140.000,- bruto;
  • [werkgever] te veroordelen tot betaling van het achterstallig loon vanaf 1 april 2026 vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente;
  • [werkgever] te veroordelen tot betaling van het overeengekomen loon tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
  • [werkgever] te veroordelen over de maanden vanaf 1 april 2026 tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een redelijke compensatie te voldoen voor het niet ter beschikking stellen van de leaseauto;
  • [werkgever] te veroordelen deugdelijke salarisspecificaties te verstrekken op straffe van een dwangsom;
  • voor recht te verklaren dat het concurrentiebeding komt te vervallen;
  • [werkgever] te veroordelen in de volledige proceskosten, althans [werkgever] te veroordelen in de proceskosten conform het liquidatietarief inclusief de nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente;
  • [werknemer] in staat te stellen zijn ontbindingsverzoek in te trekken als de ontbinding wordt uitgesproken op een andere grond dan ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever of niet de vergoedingen worden toegekend zoals door [werknemer] verzocht.
Het voorwaardelijke tegenverzoek van [werkgever]
2.2.
[werkgever] vraagt de kantonrechter:
primair:de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (z)onder toekenning van de transitievergoeding (onder vermindering van hetgeen [werkgever] reeds heeft betaald) met veroordeling van [werknemer] in de kosten van de procedure;
subsidiair:de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding onder toekenning van de transitievergoeding met veroordeling van [werknemer] in de kosten van de procedure.
2.3.
In reactie hierop vraagt [werknemer] de kantonrechter:
primair:[werkgever] niet ontvankelijk te verklaren;
subsidiair:voor het geval de kantonrechter het ontbindingsverzoek van [werkgever] toewijst:
- rekening te houden met de fictieve opzegtermijn;
- te verklaren dat [werkgever] de transitievergoeding is verschuldigd;
- voor recht te verklaren dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en een billijke vergoeding toe te kennen van € 140.000,- bruto;
- te verklaren dat het concurrentiebeding is komen te vervallen.

3.De zaak in het kort

3.1.
[werkgever] is een technologiebedrijf dat zich richt op het ontwerpen, integreren en
onderhouden van audiovisuele en IT-oplossingen voor o.a. superjachten. De werkzaamheden bij [werkgever] worden door de medewerkers verricht vanuit huis, op het kantoor van [werkgever] in [plaats] en op de werven die over de hele wereld zijn gevestigd.
3.2.
[werknemer] is op 10 juli 2017 bij [werkgever] in dienst getreden waar hij laatstelijk werkzaam was in de functie van Technical Specialist B . Tussen [werkgever] en [werknemer] bestond al enige tijd discussie over zijn urenregistratie. Op 9 maart 2026 is er een incident geweest tussen [werknemer] en zijn leidinggevende [persoon D] (hierna: [persoon D] ). Daarop heeft [werkgever] aan [werknemer] tweemaal een officiële waarschuwing gegeven en hebben partijen gesprekken gevoerd over beëindiging van het dienstverband. Uiteindelijk heeft [werknemer] twee vaststellingsovereenkomsten getekend (gericht op beëindiging van het dienstverband).
3.3.
Volgens [werknemer] is er sprake van een wilsgebrek bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomsten. Hij heeft een beroep gedaan op de vernietiging van de overeenkomsten. In elk geval heeft hij beide overeenkomsten tijdig herroepen. Er is dus nog steeds een arbeidsovereenkomst. Dat betekent onder meer dat het loon moet worden doorbetaald. [werknemer] wil dat de nog bestaande arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.
3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat [werkgever] er inmiddels vanuit gaat dat de arbeidsovereenkomst met [werknemer] nog voortduurt. Zij vraagt ook ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Zij is ten eerste van mening dat [werknemer] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. In de tweede plaats vindt zij dat de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord. Er kan van haar niet worden verwacht dat zij de arbeidsovereenkomst met [werknemer] laat voortduren.
3.5.
De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding van [werknemer] toe. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zoals hierna bepaald. Omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] moet zij de transitievergoeding betalen en een billijke vergoeding die de kantonrechter vaststelt op € 25.000,- bruto. Het tegenverzoek van [werkgever] moet worden beoordeeld voor het geval [werknemer] zijn verzoek intrekt. In dat geval ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsrelatie. [werkgever] moet de transitievergoeding en eveneens een billijke vergoeding van € 25.000,- betalen. Bij de beoordeling wordt ook ingegaan op de nevenverzoeken van [werknemer] .

4.De beoordeling

De verzoeken van [werknemer]
Er is nog een arbeidsovereenkomst
4.1.
Partijen zijn het er inmiddels over eens dat er nog een arbeidsovereenkomst bestaat. De gevraagde verklaring voor recht wordt toegewezen.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
4.2.
Op grond van artikel 7:671c lid 1 BW kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
4.3.
Los van de vraag of [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, daarover hierna meer, is de kantonrechter van oordeel dat uit de door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden voldoende volgt dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve behoort te eindigen. Bovendien vindt ook [werkgever] dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen (ze heeft ook zelf een ontbindingsverzoek ingediend).
4.4.
De gevraagde ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen. In het geval van een verzoek op grond van artikel 7:671c BW hoeft geen rekening te worden gehouden met een opzegtermijn. Omdat [werknemer] met zoveel woorden vraagt met die termijn wel rekening te houden zal de kantonrechter dat doen. Rekening houdend met een opzegtermijn van twee maanden wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 september 2026.
Ernstig verwijtbaar handelen
4.5.
[werknemer] is van mening dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Hij voert aan dat [werkgever] hem onder dreiging met een ontslag op staande voet een vaststellingsovereenkomst heeft laten tekenen. Daarnaast heeft [werkgever] door twee vaststellingsovereenkomsten aan hem voor te leggen doelbewust geprobeerd de wettelijke bedenktermijn te omzeilen. Ook is hij zonder geldige reden op non-actief gezet. Ten slotte heeft [werkgever] hem onjuist en onvolledig geïnformeerd over de inhoud en gevolgen van de twee vaststellingsovereenkomsten en zijn rechtspositie. [werknemer] maakt aanspraak op de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Hierna wordt eerst een weergave gegeven van wat er is gebeurd. Daarna wordt ingegaan op de gestelde verwijtbare gedragingen.
Urenregistratie
4.6.
Hoewel [werknemer] dit niet aan het door hem gestelde ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] ten grondslag heeft gelegd is de eerdere discussie tussen partijen rondom urenregistratie wel uitgebreid aan de orde geweest. De kantonrechter begrijpt dat die discussie in feite de basis is geweest voor het incident op 9 maart 2026. Daarom wordt hier eerst ingegaan op het geschil rondom de urenregistratie.
4.7.
Sinds november 2023 is [persoon D] leidinggevende van [werknemer] . Hij heeft [werknemer] aangesproken op zijn urenregistratie. [werknemer] noteerde reisuren naar de vaste werklocatie als werktijd wat in strijd is met het Personeelshandboek. [werknemer] beriep zich echter op een afspraak die hij volgens eigen zeggen bij indiensttreding had gemaakt met de toenmalige hr-medewerkster [persoon E] . In een e-mail van 9 december 2024 (bijlage 1 verweerschrift) heeft [persoon D] aan [werknemer] laten weten dat de reisuren naar de vaste werklocatie niet als werktijd mogen worden aangemerkt. Hij wijst op het geldende handboek bij indiensttreding en het huidige handboek. Hij laat verder weten dat hij geen afwijkende afspraken in het dossier van [werknemer] heeft kunnen vinden. Ook niet met de hr-medewerkster [persoon E] . [werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hij zich (uiteindelijk) heeft geconformeerd aan de instructies van [werkgever] . Desondanks is het daarna nog een aantal keren misgegaan met het registreren van de uren door [werknemer] , zo volgt uit de overgelegde correspondentie (bijlage 1 verweerschrift).
Incident 9 maart 2026
4.8.
In de aanloop naar het incident op 9 maart 2026 moest [werknemer] op het kantoor in [plaats] werken. Volgens [werknemer] had hij met de projectmanager [persoon F] afgesproken dat hij van 10:00 uur tot 16.00 uur zou werken. Het lukte [werknemer] namelijk niet om vroeg op kantoor te zijn omdat hij eerst zijn kinderen naar school moest brengen. Daarnaast was het in die periode niet mogelijk om na 16:00 uur te werken omdat, aldus [werknemer] , de stroom in het pand werd uitgeschakeld in verband met werkzaamheden. Voor het tekort aan uren (2,5 uur per dag) zou hij tijd-voor-tijd uren opnemen. Verder zou hij de gemiste werktijd inhalen door daarna lange dagen en tot in de avond door te werken. Volgens [werknemer] zou [persoon F] een en ander kortsluiten met [persoon G] (één van de leidinggevenden).
4.9.
[werkgever] heeft naar voren gebracht dat [persoon D] hoorde over de korte werkdagen toen [werknemer] een hotel wilde laten reserveren voor zijn inhaalslag. [persoon D] heeft [werknemer] op 9 maart 2026 hierop aangesproken. [persoon D] vond dat [werknemer] wederom met uren had geschoven zonder zijn toestemming. Wat het verdere verloop betreft lopen de verhalen van partijen uiteen. Volgens [werknemer] heeft hij het kantoor van [persoon D] verlaten toen de discussie zich verhardde. Hij werd volgens eigen zeggen door [persoon D] teruggeroepen met de woorden:
[werknemer] terugkomen nu!Vervolgens liepen [persoon D] en [werknemer] elkaar tegemoet en zijn zij elkaar dicht genaderd. [werknemer] , die ervan uitging dat [persoon D] hem te lijf wilde gaan, liet daarna op boze toon weten dat hij er klaar mee was en naar huis ging. Volgens [werkgever] daarentegen heeft [werknemer] zeer verhit en op agressieve toon met [persoon D] gediscussieerd. [werknemer] is uit het gesprek weggelopen waarbij hij de deur hard dichtsloeg. [persoon D] verzocht hem terug te komen waarna [werknemer] woest (schreeuwend) op [persoon D] is afgebeend. Ze stonden uiteindelijk neus aan neus. [persoon D] voelde zich hierdoor volgens [werkgever] bedreigd.
4.10.
Hoe het precies is gegaan wordt hier in het midden gelaten. Het zijn de woorden van [werknemer] tegenover die van [werkgever] . Partijen hebben hun versie van de gebeurtenis toegelicht maar de rechter is er, huiselijk gezegd, niet bij geweest. In ieder geval is met stemverheffing gesproken en is de aanvaring voor collega’s hoorbaar en zichtbaar geweest.
Gesprek 11 maart 2026
4.11.
Partijen zijn op 11 maart 2026 om de tafel gegaan om het incident te bespreken. [werkgever] heeft [werknemer] toen de keuze gegeven een vaststellingsovereenkomst te sluiten of anders op staande voet te worden ontslagen. Hoewel [werkgever] daarmee stevig heeft ingezet is dat in de gegeven omstandigheden niet ernstig verwijtbaar. Een openlijke aanvaring tussen collega’s veroorzaakt onrust op het werk en [persoon D] voelde zich kennelijk bedreigd door [werknemer] . Verder is van belang dat [werkgever] geen onnodige druk op [werknemer] heeft uitgeoefend om een vaststellingsovereenkomst te tekenen. [werknemer] heeft de tijd gehad de situatie op zich te laten inwerken en hierover na te denken. In een mail van een dag later laat [werknemer] aan [werkgever] weten dat hij ‘in principe open staat voor een vaststellingsovereenkomst’ en dat hij een jurist heeft laten kijken naar de vaststellingsovereenkomst. Op 16 maart 2026 zouden partijen verder spreken. Gelet op de gesprekken over het einde van het dienstverband en het laten terugkeren van de rust op de werkvloer bestond ook voldoende grond voor een (korte) op non-actiefstelling.
Vaststellingsovereenkomsten van 16 maart 2026
4.12.
Het door [werknemer] laten tekenen van de twee vaststellingsovereenkomsten op 16 maart 2026 is aan [werkgever] echter wel ernstig te verwijten. Op die dag zijn aan [werknemer] twee vaststellingsovereenkomsten voorgelegd. De overeenkomsten zijn gelijk behalve dat in de eerste overeenkomst staat dat [werknemer] de overeenkomst nog kan ontbinden binnen veertien dagen (artikel 7:670b lid 2 BW). In de tweede overeenkomst staat dat niet. [werknemer] heeft beide overeenkomsten getekend. De eerste overeenkomst om 17:30 uur en de tweede overeenkomst 18:00 uur (bijlage 13 en 14 verzoekschrift). [werkgever] heeft met de tweede vaststellingsovereenkomst doelbewust de wettelijke bedenktermijn willen omzeilen. Dat volgt voldoende uit de transcriptie van de opname van het gesprek van 16 maart 2026 (bijlage 11 verzoekschrift). De bedenktermijn is dwingend in de wet opgenomen met als doel de werknemer te beschermen (artikel 7:670b BW). Het is niet zo dat door de werknemer min of meer tegelijkertijd twee vaststellingsovereenkomsten te laten tekenen die bescherming buiten toepassing blijft. [werkgever] heeft die bescherming aan [werknemer] willen onthouden en wist, of behoorde te weten, dat zij [werknemer] daarmee ernstig benadeelde. Dat valt haar zeer aan te rekenen. Dat [werknemer] zich had laten bijstaan door een juridisch adviseur, zoals [werkgever] betoogt, doet niet af aan de verwijtbaarheid van dit handelen. Bovendien heeft de juridisch adviseur van [werknemer] zich niet vooraf kunnen verdiepen in het hoe en waarom van de twee vaststellingsovereenkomsten. Zij is hierover alleen telefonisch geraadpleegd tijdens het gesprek op 16 maart 2026 en lijkt te zijn afgegaan op mededelingen van [werkgever] .
Conclusie
4.13.
De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] haar verplichtingen als goed werkgever ernstig heeft geschonden. Zij heeft door te handelen zoals hierboven omschreven ernstig verwijtbaar tegenover [werknemer] gehandeld.
Transitievergoeding
4.14.
Omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] moet zij aan [werknemer] de wettelijke transitievergoeding voldoen (artikel 7:673 lid Pro 1, onderdeel b, sub 2 BW). De kantonrechter bepaalt de transitievergoeding op € 17.523,79 (uit dienst 1 september 2026).
Billijke vergoeding
4.15.
[werkgever] is ook een billijke vergoeding aan [werknemer] verschuldigd (artikel 7:671c lid 2 sub b BW). Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding gaat het erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, enerzijds als compensatie voor de schade die hij als gevolg van dat handelen heeft geleden en anderzijds als middel om de werkgever aan te sporen zijn gedrag aan te passen in eventuele volgende gevallen. Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding kan rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, voor zover deze zijn toe te rekenen aan het gedrag van de werkgever. Daarbij kan de hoogte van de billijke vergoeding mede worden bepaald aan de hand van de verwachte duur van de arbeidsovereenkomst en de mogelijkheid voor de werknemer om elders inkomsten te verwerven. Tot slot wordt opgemerkt dat, aangezien bij de bepaling van de billijke vergoeding alle omstandigheden worden meegenomen, ook de rol die de werknemer heeft gespeeld van betekenis is.
4.16.
Voor zover het gaat om het begroten van inkomensschade kan een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie waarin de werknemer ( [werknemer] ) nu verkeert met de hypothetische situatie dat geen sprake zou zijn geweest van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. In dat geval moet niet alleen worden ingeschat hoe lang de arbeidsovereenkomst naar verwachting zou hebben voortgeduurd maar ook of/op welke termijn [werknemer] in staat moet worden geacht andere inkomsten te verwerven.
4.17.
De kans dat de arbeidsovereenkomst nog even zou hebben voortgeduurd, zoals [werknemer] stelt, acht de kantonrechter aanwezig. Gelet op het sluimerende en daarna op 9 maart 2026 geëscaleerde conflict heeft de kantonrechter daar echter geen overspannen verwachtingen van. Daarnaast is het aannemelijk dat [werknemer] , gelet op de huidige arbeidsmarkt en de industrie waarin hij werkzaam is (IT), niet lang zonder werk hoeft te zitten. Hierbij komt dat ook een eventuele WW-uitkering kan worden meegenomen bij het bepalen van de billijke vergoeding. De Hoge Raad heeft overwogen dat de rechter niet alleen rekening hoeft te houden met nadelen (verlies van loon) maar ook met voordelen (zoals het recht op een uitkering of de mogelijkheid andere inkomsten te verwerven) die daarmee voldoende samenhangen (Hoge Raad 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:193). Tot slot moet ook de rol van [werknemer] in het geheel worden meegewogen. Het conflict uitmondend in de twee vaststellingsovereenkomsten vindt zijn oorsprong in de discussie over de urenregistratie van [werknemer] . Een correcte urenregistratie is voor [werkgever] van groot belang, enerzijds voor de facturatie aan klanten maar anderzijds ook voor het nacalculeren van werken en het in de hand houden van kosten. [werkgever] heeft dat tijdens de mondelinge behandeling toegelicht. Zij heeft daaraan nog toegevoegd dat de heer Van den Hurk dit uitdrukkelijk met de medewerkers heeft gecommuniceerd en op het belang ervan heeft gewezen. Dit is door [werknemer] niet weersproken. Voor [werknemer] had dit evenals de e-mails van [persoon D] aanleiding moeten zijn om met het registreren van uren nauwkeurig te zijn en het er niet op aan te laten komen dat [werkgever] hem bij herhaling op onjuistheden moest wijzen. Ook kan hem in dit licht bezien worden aangerekend dat hij geen toestemming aan [persoon D] heeft gevraagd voor het korter en daarna langer werken op het kantoor van [werkgever] in [plaats] . Te meer waar hij heeft verklaard dat hij met [persoon D] op regelmatige basis contact had. Dit heeft het wederzijds vertrouwen geschaad. Al het voorgaande in aanmerking genomen stelt de kantonrechter de billijke vergoeding vast op een bedrag van € 25.000,00 bruto.
Loon
4.18.
Artikel 7:628 lid 1 BW Pro schrijft voor dat een werkgever verplicht is het loon te (blijven) voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid niet heeft verricht, tenzij het niet verrichten van arbeid geheel of gedeeltelijk in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Van dit laatste is niet gebleken. Het is de beslissing van [werkgever] geweest om [werknemer] , ook na de brief van zijn gemachtigde van 26 maart 2026, niet meer voor het werk op te roepen. Dit betekent dat [werkgever] het loon van [werknemer] moet doorbetalen totdat het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd.
4.19.
[werkgever] heeft de hoogte van het gevorderde loon, dat wil zeggen het in het verzoekschrift genoemde bedrag van € 5.092,21 bruto per maand met vakantiegeld en de toeslag van gemiddeld € 248,21 bruto per maand, niet betwist zodat ervan wordt uitgegaan dat deze bedragen juist zijn. De aanspraak op loon wordt dienovereenkomstig toegewezen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
4.20.
Over het loon van de maanden april, mei en juni 2026, dat zijn de inmiddels vervallen maandlonen, wordt de gevorderde wettelijke verhoging wegens te late betaling toegewezen (artikel 7:625 BW Pro). Voor juni 2026 uiteraard alleen voor zover er van te late betaling sprake is geweest. Ook de gevorderde wettelijke rente over het (achterstallige) loon vanaf de datum van opeisbaarheid wordt toegewezen.
Loonspecificaties
4.21.
[werkgever] wordt veroordeeld de met de loonbetalingen corresponderende loonspecificaties aan [werknemer] te verstrekken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [werkgever] verklaard dat te zullen doen waardoor de kantonrechter geen aanleiding ziet om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden.
Compensatie leaseauto
4.22.
Het verzoek een vergoeding toe te kennen voor het niet ter beschikking stellen van een leaseauto wordt afgewezen. In opdracht van [werkgever] is de leaseauto op 31 maart 2026 bij [werknemer] opgehaald. [werknemer] heeft niet meer gewerkt. Zakelijk gezien heeft hij de auto dus niet nodig (gehad). [werknemer] stelt dat hij de auto ook privé mocht gebruiken en dat hij dat nu niet meer kan. Dat hij voor het gemis van het privé gebruik van de auto een vergoeding wil ontvangen is op zich zelf begrijpelijk maar het ligt dan wel op zijn weg om het bedrag van de gevorderde vergoeding nauwkeurig te onderbouwen (ook met stukken). De enkele verwijzing naar kosten van private lease van een vergelijkbare auto met een einddatum in 2030 is ontoereikend. Omdat een voldoende onderbouwing ontbreekt wordt dit verzoek afgewezen.
Concurrentiebeding
4.23.
In artikel 7:653 lid 4 BW Pro is bepaald dat de werkgever aan een concurrentiebeding geen rechten kan ontlenen indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarvan is hier sprake zoals eerder in deze beschikking is overwogen. De gevraagde verklaring voor recht wordt met toepassing van dit wetsartikel toegewezen.
Geen volledige proceskosten
4.24.
[werknemer] maakt aanspraak op vergoeding van door hem gemaakte juridische kosten van € 8.352,29. Hij stelt dat het handelen van [werkgever] ontoelaatbaar is en [werkgever] onrechtmatig heeft gehandeld door willens en wetens vast te houden aan het onjuiste standpunt dat door middel van de twee vaststellingsovereenkomsten het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd. Door hier aan vast te houden was hij genoodzaakt een procedure te starten en aanzienlijke kosten te maken, aldus [werknemer] .
4.25.
Slechts bij uitzondering is plaats voor een veroordeling in de volledige kosten van juridische bijstand. Hoewel procederen wellicht had kunnen worden voorkomen, of met minder kosten, indien [werkgever] eigener beweging de loonbetalingen had hervat ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding om [werkgever] te veroordelen in de volledige kosten van juridische bijstand. De kantonrechter zal daarom de proceskosten vaststellen conform het gebruikelijke liquidatietarief zoals [werknemer] subsidiair heeft verzocht. Deze kosten bedragen € 265,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris gemachtigde en € 144,- aan nakosten (totaal € 1.274,-). Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking zou moeten worden betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna bepaald.
Intrekking verzoek
4.26.
Omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met toekenning van een billijke vergoeding krijgt [werknemer] tot en met 10 juli 2026 de tijd om zijn verzoek in te trekken (artikel 7:686a lid 6 BW). De eventuele intrekkingsverklaring moet uiterlijk op die datum door de griffie zijn ontvangen.
4.27.
Als [werknemer] zijn verzoek intrekt moet hij de proceskosten van [werkgever] betalen. De kantonrechter stelt deze kosten vast op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking zou moeten worden betekend.
4.28.
Als [werknemer] niet uiterlijk op de hierboven genoemde datum zijn ontbindingsverzoek heeft ingetrokken, zal de arbeidsovereenkomst per 1 september 2026 zijn ontbonden.
Het voorwaardelijk tegenverzoek van [werkgever]
4.29.
De kantonrechter moet ook het tegenverzoek van [werkgever] beoordelen. Dit is van belang voor het geval [werknemer] zijn ontbindingsverzoek op tijd mocht intrekken.
Ontvankelijkheid
4.30.
[werkgever] is ontvankelijk in haar verzoek. De kantonrechter ziet niet waarom dit anders zou zijn. Het verzoek is ook voldoende onderbouwd.
4.31.
[werkgever] baseert haar verzoek in de eerste plaats op de zogenoemde e-grond. Zij vindt dat [werknemer] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld (artikel 7:669 lid 3 onder Pro e BW). De omstandigheden die hiervoor al uitvoerig zijn beschreven rechtvaardigen echter niet de conclusie dat [werknemer] zo verwijtbaar heeft gehandeld dat (alleen) om die reden het dienstverband behoort te worden ontbonden. Er is discussie geweest over het registreren van reisuren naar de vaste werklocatie, maar onvoldoende is uit de verf gekomen dat [werknemer] de uren welbewust onjuist heeft geregistreerd. Hierbij speelt mee dat kennelijk in het verleden de urenregistraties van [werknemer] zonder commentaar zijn gebleven. Dit neemt niet weg dat [werknemer] , nadat hij erop was aangesproken beter had moeten weten en met het registreren van zijn uren nauwkeurig had moeten zijn, te meer waar hij heeft verklaard zich aan de door [werkgever] voorgeschreven regels te willen conformeren.
4.32.
Ook voor het incident op 9 maart 2026 geldt dat onvoldoende vaststaat dat [werknemer] zo verwijtbaar heeft gehandeld dat het dienstverband om die reden (op die grond) zou moeten eindigen. Wat er op die dag precies is gebeurd en wat daarbij ieders rol is geweest staat in deze procedure onvoldoende vast.
4.33.
Tijdens de mondelinge behandeling is nog aan de orde gekomen dat [werknemer] niet de waarheid zou hebben gesproken over de gebeurtenissen in de aanloop naar 9 maart 2026. Zo zou, anders dan [werknemer] heeft gezegd, de generator op de werklocatie helemaal niet worden uitgeschakeld om 16:00 uur en zou hij geen toestemming hebben gekregen van [persoon F] of [persoon G] voor het korter en daarna langer werken. Ook hier geldt dat de woorden van [werknemer] en die van [werkgever] tegenover elkaar staan en de kantonrechter niet kan beoordelen hoe het zit.
4.34.
De kantonrechter ziet gelet op het voorgaande onvoldoende grond voor een ontbinding op de e-grond. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de subsidiaire grond daarentegen slaagt wel. Gelet op wat partijen in deze procedure naar voren hebben gebracht, en de omstandigheid dat ook [werknemer] wil dat de arbeidsovereenkomst eindigt, kan worden vastgesteld dat de arbeidsrelatie inmiddels zodanig is verstoord dat van [werkgever] in redelijkheid niet kan worden verlangd de arbeidsrelatie te laten voortduren. Herplaatsing van [werknemer] in een andere functie bij [werkgever] ligt niet in de rede en er is geen sprake van een opzegverbod. Het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van [werkgever] wordt daarom toegewezen.
4.35.
Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 september 2026. Het verweerschrift met daarin het voorwaardelijke ontbindingsverzoek is bij de rechtbank binnengekomen op 18 mei 2026 en de opzegtermijn is twee maanden. Tevens is gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 9 onder a BW.
4.36.
[werkgever] is de wettelijke transitievergoeding van € 17.523,79 bruto verschuldigd. De door [werknemer] in zijn verweerschrift gevraagde billijke vergoeding wordt toegewezen op dezelfde gronden en dezelfde wijze als besproken in het kader van het ontbindingsverzoek van [werknemer] . Het aan [werknemer] voorleggen van twee vaststellingsovereenkomsten met als doel de werknemersbescherming van artikel 7:670b BW te omzeilen kan [werkgever] ernstig worden aangerekend en heeft aan de verstoring van de relatie een wezenlijke bijdrage geleverd. Hetzelfde geldt voor de verklaring voor recht met betrekking tot het concurrentiebeding.
Proceskosten
4.37.
De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat elke partij de eigen kosten draagt.
Intrekking verzoek
4.38.
Ook [werkgever] heeft de mogelijkheid haar voorwaardelijke verzoek in te trekken omdat een billijke vergoeding wordt toegekend (artikel 7:686a lid 6 BW). Zij kan dat doen tot en met 10 juli 2026. De eventuele intrekkingsverklaring moet uiterlijk op die datum door de griffie zijn ontvangen. Als [werkgever] haar verzoek intrekt moet zij de proceskosten van [werknemer] betalen. De kantonrechter stelt deze kosten vast op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking zou moeten worden betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna bepaald.
4.39.
Als [werkgever] niet uiterlijk op de hierboven genoemde datum haar ontbindingsverzoek heeft ingetrokken, zal de arbeidsovereenkomst per 1 september 2026 zijn ontbonden.
Het verzoek van [werknemer] en het voorwaardelijke tegenverzoek van [werkgever]
Uitvoerbaar bij voorraad
4.40.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat
betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
Het verzoek van [werknemer]
5.1.
stelt [werknemer] tot en met 10 juli 2026 in de gelegenheid om zijn verzoek in te trekken door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de gemachtigde van [werkgever] ;
Als [werknemer] het verzoeknietbinnen deze termijn intrekt:
5.2.
verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en [werkgever] nog voortduurt;
5.3.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en [werkgever] per 1 september 2026;
5.4.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de transitievergoeding van € 17.523,79 bruto te betalen;
5.5.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding van € 25.000,- bruto te betalen;
5.6.
veroordeelt [werkgever] aan [werknemer] het achterstallige loon over de maanden april, mei en juni 2026 te betalen, te weten € 5.092,21 bruto per maand vermeerderd met het vakantiegeld en de gemiddelde toeslag van € 248,41 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het moment dat het loon is verschuldigd tot de dag van betaling;
5.7.
veroordeelt [werkgever] aan [werknemer] te betalen het loon vanaf 1 juli 2026 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te weten € 5.092,21 bruto per maand vermeerderd met het vakantiegeld en de gemiddelde toeslag van € 248,41 bruto per maand;
5.8.
veroordeelt [werkgever] om deugdelijke salarisspecificaties te verstrekken vanaf de maand april 2026 tot dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
5.9.
verklaart voor recht dat [werkgever] geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen;
5.10.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten, die aan de kant van [werknemer] worden vastgesteld op € 1.274,-, met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag dat is betaald;
Als [werknemer] het verzoekwelbinnen de termijn intrekt:
5.11.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten, die aan de kant van [werkgever] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.009,-;
Het voorwaardelijke verzoek van [werkgever]
5.12.
bepaalt dat [werkgever] tot 10 juli 2026 de tijd krijgt om haar verzoek in te trekken;
Als [werkgever] het verzoeknietbinnen deze termijn intrekt:
5.13.
ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 september 2026;
5.14.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de transitievergoeding van € 17.523,79 bruto te betalen;
5.15.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding van € 25.000,- bruto te betalen;
5.16.
verklaart voor recht dat [werkgever] geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen;
5.17.
compenseert de proceskosten;
Als [werkgever] het verzoekwelbinnen de termijn intrekt:
5.18.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten, die aan de kant van [werknemer] worden vastgesteld op € 1.009,-, met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag dat is betaald;
In beide verzoeken
5.19.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.20.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.
540