ECLI:NL:RBROT:2026:8985

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
12104535 VZ VERZ 26-560
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 lid 1 onder c BWArt. 7:673 lid 7 BWArt. 7:677 BWArt. 7:678 lid 1 BWArt. 7:681 lid 1 onder a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens dagdieverij bevestigd door rechtbank Rotterdam

Werkneemster was sinds december 2016 in dienst bij Concentrix Nederland B.V. als customer service advisor. Op 23 december 2025 werd zij op staande voet ontslagen wegens dagdieverij, omdat zij meer uren had geschreven dan daadwerkelijk was gewerkt.

De werkgever ontdekte dit na een melding van de coach over weinig gevoerde gesprekken en open lijnen zonder activiteit. Controle van inloggegevens bij de klant CBIG toonde aanzienlijke verschillen tussen geregistreerde en werkelijk gewerkte uren, waaronder dagen waarop werkneemster niet was ingelogd maar wel uren had opgegeven.

Werkneemster betwistte de verschillen niet, maar kon geen plausibele verklaring geven voor de omvangrijke afwijkingen. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet terecht was vanwege ernstig verwijtbaar handelen en dat de werkgever onverwijld en met duidelijke redenen had opgezegd.

De kantonrechter wees het verzoek tot vernietiging van het ontslag af, oordeelde dat geen transitievergoeding verschuldigd is en veroordeelde werkneemster tot betaling van de proceskosten. Het voorwaardelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de werkgever werd niet behandeld omdat het ontslag in stand bleef.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wegens dagdieverij wordt bevestigd en het verzoek tot vernietiging afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12104535 VZ VERZ 26-560
datum uitspraak: 15 juli 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster],
woonplaats: [woonplaats],
verzoekster, verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
gemachtigde: mr. J.O. Bohr,
tegen
Concentrix Nederland B.V.,
vestigingsplaats: Amersfoort,
verweerster, verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
gemachtigde: mr. J.A.J. Hooymayers.
De partijen worden hierna ‘werkneemster’ en ‘werkgeefster’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van werkneemster, met bijlagen;
  • het verweerschrift van werkgeefster, met (voorwaardelijk) tegenverzoek, met bijlagen;
  • de aanvullende bijlage van werkgeefster.
1.2.
Op 6 juli 2026 is de zaak tijdens een zitting met besproken. Werkneemster was aanwezig met haar gemachtigde. Namens werkgeefster waren [naam 1] (hr manager),
[naam 2] (hr-consultant) en [naam 3] (teammanager) aanwezig met de gemachtigde.

2.De beoordeling

Samenvatting
2.1.
Werkneemster werkte sinds 21 december 2016 bij Concentrix als advisor II, customer service. Zij is op 23 december 2025 op staande voet ontslagen wegens ‘dagdieverij’.
2.2.
Werkneemster wil dat deze opzegging wordt vernietigd en dat werkgeefster (ook bij voorlopige voorziening) het salaris doorbetaalt. Als de opzegging in stand blijft, vraagt werkneemster de transitievergoeding toe te kennen. Werkgeefster vindt dat alle verzoeken van werkneemster moeten worden afgewezen. Als de opzegging wordt vernietigd, verzoekt werkgeefster de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
2.3.
Werkneemster krijgt ongelijk. Het ontslag op staande voet blijft in stand. Het voorwaardelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van werkgeefster hoeft daarom niet te worden beoordeeld.
Wat is er gebeurd?
2.4.
Werkneemster heeft bijna tien jaar voor werkgeefster gewerkt. Zij was (laatstelijk) werkzaam voor de customer service van het bedrijf CBIG. Dat hield onder meer in dat zij telefonische vragen van klanten van CBIG beantwoordde.
2.5.
Werkgeefster werkt met een urenregistratie voor haar werknemers. Op die manier kan werkgeefster gewerkte uren bij haar klant, in dit geval CBIG, correct in rekening brengen. Werkneemster werkte volgens een wekelijks wisselend rooster. Zij moest dagelijks een digitaal checkbriefje invullen, waarop zij de begin- en eindtijd moest doorgeven en koffie- en lunchpauzes. De checkbriefjes werden wekelijks gecontroleerd door werkgeefster aan de hand van het rooster. De inloggegevens waaruit blijkt wanneer werkneemster inlogde in het systeem van de klant, waren alleen door de klant (CBIG) te raadplegen.
2.6.
Op 22 december 2025 deed de coach ([naam 4]) van werkneemster een melding bij de teammanager van werkneemster ([naam 3]). De coach heeft hierover het volgende schriftelijk verklaard:
“Ik heb op 22 december 2025 een aantal door [verzoekster] gevoerde telefoongesprekken met klanten teruggeluisterd, dit in verband met controle op de kwaliteit van deze gevoerde telefoongesprekken.
Wat mij opviel is dat zij, in relatie tot de tijden waarvoor zij was ingeroosterd, weinig
gesprekken had gevoerd. Tevens viel mij op dat er bij een aantal openstaande lijnen, geen actief telefoongesprek gaande was. De klant en [verzoekster] hadden dus wel een technische verbinding/open lijn. Er werd alleen niets gezegd.
Ook waren haar gesprekstijden en nawerktijden (administratietijden) langer dan wat ik gewend was van haar.
Ik heb hiervan vervolgens op 22 december 2025 einde dag melding gemaakt bij [naam 5], de leidinggevende van [verzoekster].(…)”
2.7.
Werkgeefster heeft vervolgens een controle uitgevoerd. Zij heeft de inloggegevens bij de klant opgevraagd en de door werkneemster ingevulde checklijsten en de inloggegevens met elkaar vergeleken. Volgens werkgeefster bleek toen dat werkneemster meer uren had geschreven dan daadwerkelijk door haar was gewerkt.
2.8.
Werkgeefster heeft op 23 december 2025 met werkneemster gesproken. Volgens werkgeefster erkende werkneemster de fouten in de urenregistratie maar dat kwam volgens werkneemster door slordigheid of een administratieve menselijke fout. Werkgeefster heeft hierop besloten werkneemster op staande voet te ontslaan.
2.9.
In de ontslagbrief van 23 december 2025 staat de volgende reden voor het ontslag op staande voet:
“Er zijn bij u op 3 verschillende dagen check briefjes gevonden, waarin u aangeeft productief te hebben gewerkt, maar in werkelijkheid niet heeft gedaan. Verder zijn er op 6 andere dagen significant meer uren gecheckt dan er in werkelijkheid productief door u zijn gewerkt. Al deze incidenten hebben zich afgespeeld in de maand december jl. en hebben tot een disbalans geleid van minstens 25 uur tussen gewerkte uren en geschreven uren.
U gaf tijdens de confrontatie aan dat u niet bewust was van deze disbalans in uren en sprak over een mogelijke typefout door uzelf. Verder gaf u aan enige keren tijdens de reis richting kantoor al in te loggen op uw laptop en de check briefjes te starten. Dit is echter in strijd met de regels rondom het invullen van check briefjes.
Gezien de ernst van deze kwestie en de impact die dit heeft op het vertrouwen tussen u en Concentrix, zijn wij genoodzaakt uw dienstverband per direct te beëindigen. De genoemde redenen en de daaraan ten grondslag liggende feiten vormen een dringende reden voor ontslag op staande voet. Wij beëindigen de arbeidsovereenkomst per direct met ingang van 23 december 2025.”
2.10.
Werkneemster heeft op 29 december 2025 bezwaar gemaakt tegen het ontslag op staande voet en heeft juridische bijstand gezocht. De gemachtigde van werkneemster en werkgeefster hebben geprobeerd om tot een oplossing te komen maar dat is niet gelukt.
Voorlopige voorziening
2.11.
In deze beschikking wordt direct uitspraak gedaan in de hoofdzaak. Werkneemster heeft daarom geen belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.
De hoofdzaak
Het ontslag op staande voet is geldig
2.12.
De opzegging wordt niet vernietigd. Dat kan namelijk alleen als het ontslag niet geldig is (artikel 7:681 lid 1 onder Pro a BW). Daar is in dit geval geen sprake van, want er is voldaan aan de voorwaarden voor een ontslag op staande voet. Dat zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en onverwijld mededelen van de reden (artikel 7:671 lid 1 onder Pro c BW en artikel 7:677 BW Pro).
Er is een dringende reden
2.13.
Er is een dringende reden voor ontslag op staande voet. Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en/of gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband (artikel 7:678 lid 1 BW Pro). Of er een dringende reden is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden. Hierna wordt uitgelegd waarom hier sprake is van een dringende reden.
2.14.
In de maand december 2025 is sprake van een verschil van 19 uur en 18 minuten tussen de werktijd van werkneemster zoals blijkt uit de inloggegevens en de door haar ingevulde checkbriefjes. Ook is er een aantal dagen waarop door werkneemster helemaal niet is ingelogd, maar wel een checkbriefje is ingevuld. Dit gaat om 3 december 2025, 5 november 2025, 20 oktober 2025 en 17 september 2025. Werkgeefster heeft een excel-overzicht van de inloggegevens overgelegd (bijlage 1 verweerschrift). Verder zijn de achterliggende inlogbestanden en de achterliggende checklijsten overgelegd (bijlage 2 verweerschrift) en als aanvulling hierop nog een inloglijst op A4 formaat. Tijdens de zitting heeft werkgeefster de lijsten en overzichten toegelicht. Niet ter discussie staat dat werkneemster haar werk niet kon doen zonder in te loggen in het klantsysteem.
2.15.
Werkneemster heeft de verschillen in de uren als zodanig niet betwist. Zij blijft erbij dat dit het gevolg is van menselijke fouten en onoplettendheid. Werkneemster heeft, daarnaar gevraagd, niet kunnen uitleggen hoe dat dan gegaan moet zijn. Zij heeft met andere woorden niet duidelijk gemaakt hoe onoplettendheid of menselijke fouten tot dergelijke verschillen in de urenregistratie kunnen leiden. Uiteraard kan een keer een typefout worden gemaakt maar daar gaat het hier niet om. Er is een substantieel aantal meeruren ingevuld op de checkbriefjes - op verschillende dagen - die niet overeenstemmen met de inlogtijden. Werkneemster heeft als verklaring gegeven dat zij onderweg naar het werk alvast inlogde om wat voorwerk te doen en het (af en toe trage) systeem alvast op te starten. Dat verklaart echter niet de omvang van de extra uren. Bovendien zou dit alleen kunnen verklaren waarom zij op bepaalde momenten later is ingelogd, maar niet waarom zij eerder is uitgelogd dan op het checkbriefje is ingevuld. Terzijde merkt de kantonrechter op dat werkgever na het ontslag op staande voet heeft ontdekt dat werkneemster ook in de maanden september, oktober en november 2025 aanzienlijk meer uren heeft geschreven op de checkbriefjes, dan dat zij feitelijk heeft gewerkt. In de maand november 2025 gaat het om 27 uur en 41 minuten. In de maand oktober 2025 is er een verschil van 30 uur en 23 minuten en in de maand september 2025 29 uur en 43 minuten.
2.16.
Werkneemster voert ook aan dat de checkbriefjes door werkgeefster zijn geaccordeerd. Als zij daarmee wil betogen dat (ook) werkgeefster hier een verwijt treft, dan wordt zij daarin niet gevolgd. Werkgever heeft onweersproken gesteld dat zij de wekelijkse controles van de checkbriefjes uitvoerde aan de hand van de roosters. De fouten in de urenregistratie kwamen pas aan het licht nadat de inloggegevens waren opgevraagd bij de klant en naast de checkbriefjes werden gelegd. De inloggegevens zijn van de klant (CBIG) en inzage wordt om privacy redenen niet zomaar gegeven. Er wordt namelijk gewerkt met uiterst gevoelige informatie (het BIG-register). Er moet een concrete aanleiding zijn om de inloggegevens in te zien, aldus werkgeefster. Daarom behoorde een controle van de inloggegevens niet tot de standaardcontrole. Bovendien kan het niet zo zijn dat werkneemster op deze manier de verantwoordelijkheid voor een juiste urenregistratie bij werkgeefster neerlegt.
2.17.
Tijdens de zitting heeft werkneemster nog naar voren gebracht dat er door de overgang van onderneming (werkneemster was eerst werkzaam bij Webhelp B.V. die in 2023 is overgenomen door werkgeefster) veel storingen waren. Dat kan zo zijn, maar ook hier geldt dat werkneemster niet concreet maakt hoe die storingen hebben geleid tot het verschil in geschreven uren. Werkgeefster heeft bovendien onweersproken gesteld dat zij juist voor dergelijke gevallen een ‘kwaliteitslijn’ heeft opgezet. Het is de bedoeling dat de medewerker direct aan de bel trekt bij inlogproblemen/storingen. Er is altijd een teammanager bereikbaar als er problemen zijn. Op bijvoorbeeld 5 november 2025, een van de dagen waarop door werkneemster niet is ingelogd maar wel de checklijst is ingevuld, is geen melding van werkneemster ontvangen. Werkneemster heeft ook dit laatste niet (voldoende) weersproken.
2.18.
Ten slotte is door werkneemster tijdens de zitting aangevoerd dat zij na het ontslag geen toegang meer had tot het registratiesysteem, waardoor zij een en ander niet heeft kunnen nakijken. Het zou namelijk zo kunnen zijn dat zij, aldus werkneemster, op de dagen dat zij helemaal niet heeft ingelogd een vrije dag had. Nog los van de vraag waarom zij dan over die dagen toch een checkbriefje zou invullen met ‘gewerkte uren’, blijkt niet dat werkneemster op zijn minst heeft geprobeerd dit uit te zoeken, door deze informatie op te vragen bij werkgeefster.
2.19.
Werkneemster heeft, kortom, geen redelijke verklaring kunnen geven voor de forse urenverschillen. Het staat voldoende vast dat werkneemster meer uren heeft geschreven dan dat zij heeft gewerkt. Hiermee heeft werkneemster werkgeefster ernstig benadeeld ten gunste van zichzelf. Door deze ‘dagdieverij’ heeft werkneemster naar het oordeel van de kantonrechter bovendien ernstig verwijtbaar gehandeld. Een ontslag op staande voet was daarom gerechtvaardigd, ook als rekening wordt gehouden met de persoonlijke gevolgen voor werkneemster van een ontslag op staande voet. In het algemeen geldt dat een ontslag op staande voet ingrijpend is. Dat is voor werkneemster niet anders. Er zijn echter geen aanwijzingen dat werkneemster geen ander werk kan vinden. Werkneemster is inmiddels ook aan de slag als zzp-er, zo heeft zij tijdens de zitting verteld.
Er is onverwijld opgezegd onder onverwijlde mededeling van de reden
2.20.
Er is onverwijld opgezegd. Werkgeefster heeft in oktober en november 2025 met werkneemster gesproken over de kwaliteit van haar werk tijdens het thuiswerken. Ze is aangesproken op het niet snel genoeg aannemen van telefoongesprekken en dat zij soms gesprekken helemaal niet beantwoordde. Het lag op dat moment niet op de weg van werkgeefster om onderzoek te doen naar de inloggegevens van werkneemster in relatie tot de door haar geschreven uren op de checkbriefjes. Er waren geen aanwijzingen dat werkneemster haar uren niet maakte. Zoals hiervoor al is overwogen had werkgeefster geen inzage in de inloggegevens bij de klant. Pas op 22 december heeft werkgeefster aanleiding gezien om deze inloggegevens bij de klant op te vragen. Toen trok de coach aan de bel nadat zij de telefoongesprekken van werkneemster had gecontroleerd op kwaliteit. Daarbij was opgevallen dat werkneemster op een dag maar vier gesprekken had gevoerd. Na het controleren van de inloggegevens kwam aan het licht dat de urenregistratie niet klopte.
2.21.
Werkgeefster heeft voortvarend gehandeld door de dag na ontvangst van de inloggevens in het kader van hoor en wederhoor tijdens een gesprek werkneemster in staat te stellen een reactie te geven op haar bevindingen. Nog dezelfde dag is het ontslag op staande voet gegeven. In de ontslagbrief is de reden voor het ontslag op staande voet duidelijk uiteengezet.
Werkgeefster hoeft geen transitievergoeding te betalen
2.22.
Werkgeefster hoeft geen transitievergoeding aan werkneemster te betalen omdat het ontslag, zoals hiervoor al overwogen, het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster (artikel 7:673 lid 7 BW Pro).
Werkneemster moet de proceskosten betalen
2.23.
De proceskosten komen voor rekening van werkneemster, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die werkneemster aan werkgeefster moet betalen op
€ 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,-aan nakosten. Dit is totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.
Het voorwaardelijke verzoek van werkgeefster
2.24.
Het ontslag op staande voet blijft in stand. De kantonrechter komt dus niet toe aan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van werkgeefster.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.25.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de verzoeken van werkneemster af;
3.2.
veroordeelt werkneemster in de proceskosten, die aan de kant van werkgeefster tot vandaag worden vastgesteld op € 1.009,-;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
540