ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8231
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beslissing inzake verzoek tot overlegging stukken in belastingzaak Bank Zonder Naam
In deze bestuursrechtelijke belastingzaak betreffende de Bank Zonder Naam heeft eiser op grond van artikel 8:42 Awb Pro verzocht om overlegging van diverse stukken die betrekking hebben op de besluitvorming van de inspecteur. Verweerder heeft een deel van deze stukken geschoond of geweigerd te verstrekken met een beroep op artikel 8:29 Awb Pro, vanwege privacy, controlestrategische belangen en internationale betrekkingen.
De rechtbank heeft in een tussenbeslissing beoordeeld welke stukken aan eiser moeten worden verstrekt en welke geheim mogen blijven. De rechtbank oordeelt dat veel stukken, zoals rekeningstandenlijsten en memo’s, in geanonimiseerde vorm moeten worden verstrekt omdat eiser een gerechtvaardigd belang heeft bij kennisneming om de aanslagen te kunnen beoordelen. Anderzijds worden namen van derden, telefoonnummers en bepaalde persoonsgegevens beschermd vanwege privacy en strategische belangen.
De rechtbank weegt het belang van eiser tegen het belang van verweerder bij geheimhouding en stelt dat de wetgever een ruim begrip hanteert voor op de zaak betrekking hebbende stukken, maar dat artikel 8:29 Awb Pro een uitzondering biedt bij zwaarwegende belangen. De rechtbank wijst ook op jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot het recht op kennisneming en de afweging met staatsbelangen.
De beslissing bevat een gedetailleerde analyse per categorie stukken en wijst verweerder aan om binnen vier weken te melden welke consequenties hij verbindt aan deze beslissing. Tegen deze tussenbeslissing kan pas beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank bepaalt welke stukken in geanonimiseerde vorm aan eiser moeten worden verstrekt en welke geheim mogen blijven.