ECLI:NL:RBSGR:2010:BO3807
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure
Eiser, afkomstig uit Iran, verzocht om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door verweerder in de procedure die leidde tot zijn verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid TBV 1999/22. Na afwijzing van zijn verzoek en bezwaar, stelde eiser beroep in bij de rechtbank, dat uiteindelijk ongegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was het beroep te behandelen en dat het beginsel van rechtszekerheid uit artikel 6 EVRM Pro ook geldt in vreemdelingenprocedures, waarbij een redelijke termijn vereist is. Het geschil was aan de rechter voorgelegd, hoewel het beroep was ingetrokken nadat de verblijfsvergunning was toegekend.
De rechtbank stelde vast dat per procedure afzonderlijk moet worden beoordeeld of de redelijke termijn is overschreden. De termijn in de procedure die tot de verblijfsvergunning leidde, was niet overschreden. Eiser kon daarom geen aanspraak maken op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding. Ook andere vermeende onrechtmatigheden leidden niet tot vergoeding, omdat niet was gebleken dat deze hadden geleid tot aantasting van eer, goede naam of persoon.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond was en dat verweerder geen hoorzitting hoefde te houden. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.