ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1030
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige overschrijding redelijke termijn door Staat bij verblijfsvergunningprocedure
Eiser, van Pakistaanse afkomst, diende in 1996 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor gezinshereniging. De aanvraag werd in 2002 afgewezen wegens twijfels over zijn identiteit en familierechtelijke relatie. Na diverse bezwaren en beroepen werd het primaire besluit in 2003 ingetrokken en werd eiser een verblijfsvergunning verleend met terugwerkende kracht tot zijn 21e verjaardag.
Eiser vordert een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door niet tijdig te beslissen op zijn aanvraag en daaropvolgende bezwaren, waardoor hij immateriële schade heeft geleden. De rechtbank oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure een onrechtmatige daad oplevert en dat eiser aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding wegens spanning en frustratie.
De rechtbank wijst echter de vordering af voor de overschrijding in de aanvraagfase en de procedure rondom het verzoek om schadevergoeding, omdat artikel 6 EVRM Pro daar niet van toepassing is en eiser onvoldoende belang heeft aangetoond. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en een immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding in de bezwaar- en beroepsprocedure.
Uitkomst: De Staat is aansprakelijk voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure en wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.