ECLI:NL:RBSGR:2011:BR0778
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel wegens gebrek aan zicht op uitzetting naar China ongegrond verklaard
Eiser is op 14 mei 2011 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en stelde beroep in tegen deze maatregel. Hij voerde onder meer aan dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was en dat er geen zicht op uitzetting naar China bestond vanwege het ontbreken van medewerking van de Chinese autoriteiten bij het verstrekken van laissez passer.
De rechtbank oordeelde dat de strafrechtelijke staandehouding niet onrechtmatig was en dat het strafrechtelijk voortraject niet ter toetsing stond. Vervolgens werd uitgebreid ingegaan op het zicht op uitzetting. Ondanks meerdere overleggen tussen Nederlandse en Chinese autoriteiten sinds november 2010, leidde dit niet tot concrete toezeggingen voor laissez passer. De rechtbank stelde vast dat zicht op uitzetting niet langer kan worden aangenomen indien verweerder afhankelijk is van een laissez-passertraject.
Echter, de rechtbank overwoog dat zicht op uitzetting wel kan bestaan als de vreemdeling beschikt over een origineel en geldig Chinees paspoort of identiteitskaart, waarmee uitzetting zonder tussenkomst van de Chinese autoriteiten mogelijk is. Verweerder had aannemelijk gemaakt dat eiser mogelijk over een dergelijk document beschikt, mede omdat eiser geen openheid van zaken gaf over zijn verblijfsadres en contacten. Daarom faalde het beroep en werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard omdat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat er zicht op uitzetting naar China bestaat.