ECLI:NL:RBUTR:2003:AO0695

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
19 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
SBR 03/117
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering te gedogen en intrekking gedoogverklaring geen besluit in zin van Awb

De zaak betreft een beroep van Voetbalvereniging IJsselmeervogels tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten, waarin het bezwaar tegen een eerdere gedoogverklaring werd afgewezen. De gedoogverklaring had betrekking op verkoopactiviteiten in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank oordeelt dat de weigering te gedogen en de intrekking van een gedoogverklaring geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn dergelijke weigeringen slechts verklaringen dat een overtreding niet wordt gedoogd, zonder dat dit directe rechtsgevolgen heeft. Rechtsgevolgen ontstaan pas wanneer het bestuursorgaan een concreet handhavingsbesluit neemt, zoals bestuursdwang of een last onder dwangsom. De rechtbank stelt vast dat verweerder nog een definitief handhavingsbesluit zal nemen.

De rechtbank overweegt verder dat de uitzondering waarbij een weigering te gedogen wel een besluit kan zijn, namelijk wanneer aanspraak wordt gemaakt op een beleidsregel, hier niet aan de orde is. Ook de intrekking van een gedoogverklaring is geen besluit met zelfstandige betekenis zolang er geen concreet handhavingsbesluit is genomen. De door eiseres aangevoerde bezwaren over het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel kunnen pas worden beoordeeld bij een concreet handhavingsbesluit.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. De mondelinge uitspraak is gedaan door mr. M. ter Brugge op 19 december 2003.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat weigering te gedogen en intrekking van een gedoogverklaring geen besluiten zijn in de zin van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
sector bestuursrecht
nr. SBR 03/ 117
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank Utrecht op het beroep van:
Voetbalvereniging IJsselmeervogels, gevestigd te Bunschoten,
eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten,
verweerder.
1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het beroep richt zich tegen verweerders besluit van 27 november 2002, waarbij verweerder het bezwaar van de Christelijke Middenstandsvereniging Bunschoten - Spakenburg - Eemdijk (hierna: de Middenstandsvereniging) en het bezwaar van [A] te Spakenburg en van [B] te Spakenburg tegen het besluit van 30 januari 2002 gegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder besloten de verkoopactiviteiten van eiseres in haar kantine, die volgens verweerder in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, te gedogen en de verkoopactiviteiten te zullen legaliseren door middel van een herziening van het bestemmingsplan.
Het beroep is op 19 december 2003 ter zitting behandeld, waar namens eiseres zijn verschenen mr. J. Heinen en Ir. P.F. Heinen. Namens verweerder zijn verschenen mr. J.H. Meijer, advocaat te Apeldoorn en J.E.P.M. Reijnen, werkzaam bij de gemeente Bunschoten. Namens de Middenstandsvereniging zijn verschenen W. Schaap, voorzitter en C.J. van Voorbergen.
2. BESLISSING
Aan het slot van de behandeling van het beroep heeft de rechtbank:
het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
3. GRONDEN
De rechtbank stelt voorop dat het bestreden besluit strekt tot het alsnog weigeren te gedogen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat hij nog een definitief besluit tot het opleggen van bestuursdwang zal nemen en heeft in antwoord op vragen van de rechtbank in zijn reactie van 3 november 2003 bevestigd dat het bestreden besluit strekt tot het alsnog weigeren te gedogen. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) is de schriftelijke weigering om een met het geldende bestemmingsplan strijdig gebruik te gedogen in het algemeen geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zodanige weigering houdt immers niet meer in dan een verklaring van burgemeester en wethouders dat een gedraging of toestand die verboden is niet kan worden gedoogd. Voor zover het bestreden besluit dan ook dient te worden aangemerkt als een weigering om te gedogen, weet eiseres door deze verklaring dat zij verkeert in de normale situatie dat tegen een overtreding van een wettelijk voorschrift door burgemeester en wethouders kan worden opgetreden, maar deze wetenschap kan niet worden aangemerkt als een rechtsgevolg. Eerst wanneer burgemeester en wethouders overgaan tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom is er sprake van rechtsgevolg en van een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb en staan voor eiseres de mogelijkheden van bezwaar en beroep open. Een uitzondering op de regel dat een weigering te gedogen geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb is, is mogelijk als de weigering te gedogen de ontkenning van een aanspraak inhoudt die de aanvrager wil ontlenen aan een beleidsregel. (ABRvS 22 juli 1999, AB 1999/340). De rechtbank is niet gebleken dat eiseres in dit geval aanspraak heeft gemaakt op een gedoogbesluit op basis van een beleidsregel.
De rechtbank overweegt dat, voor zover het bestreden besluit moet worden aangemerkt als een intrekking van een gedoogverklaring, er evenmin sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Evenals de weigering te gedogen houdt een dergelijke beslissing slechts de mogelijkheid in dat het betrokken bestuursorgaan handhavend zal gaan optreden. Eerst wanneer tot handhavend optreden wordt besloten, concretiseert die mogelijkheid zich. De rechtbank markeert in dit verband dat verweerder heeft aangekondigd nog een definitief handhavingsbesluit te nemen. Onder die omstandigheden kan aan een beslissing tot intrekking van een gedoogverklaring geen zelfstandige betekenis worden toegekend, behoudens in bijzondere gevallen. Van een dergelijk bijzonder geval is reeds geen sprake om de enkele reden dat met de uitvoering van de gedoogde activiteit al een aanvang is gemaakt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de ABRvS van 4 juni 2002 (AB 2002/219). Om dezelfde reden, namelijk dat met de uitvoering van de gedoogde activiteit al een aanvang is gemaakt voordat verweerder zijn primair besluit nam, kan er naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake zijn van een bestuurlijk rechtsoordeel dat op rechtsgevolg is gericht en om die reden als een besluit moet worden aangemerkt. (ABRvS 7 juli 1998, AB 1999/425).
De door eiseres opgeworpen vragen of handhaving in strijd met het vertrouwensbeginsel is en of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat legalisering onmogelijk is alsmede het door eiseres gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel kunnen naar het oordeel van de rechtbank eerst ten volle worden beantwoord en beoordeeld aan de hand van een concreet besluit tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.
De rechtbank overweegt voorts dat verweerder op zichzelf niet ten onrechte heeft aangevoerd dat een besluit op bezwaar is gericht op rechtsgevolg. Dit kan echter naar het oordeel van de rechtbank er niet toe leiden dat de onderhavige weigering te gedogen moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de ABRvS van 5 juli 1999 (AB 1999/280) en naar de uitspraak van 15 januari 2003 (JB 2003/47).
De mondeling uitspraak is gewezen door mr. M. ter Brugge, lid van de enkelvoudige kamer, op 19 december 2003.
Aldus opgemaakt door de griffier.
de griffier, het lid van de enkelvoudige kamer,
drs. H. Maaijen mr. M. ter Brugge
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending van dit proces-verbaal beroep open bij
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's Gravenhage.