Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende vormde een fiscale eenheid met haar dochtervennootschap [A BV], waarvoor zij een hoofdelijke aansprakelijkheid is aangegaan voor een rekening-courant krediet bij een bank. Na het faillissement van [A BV] vormde belanghebbende een voorziening voor het verlies uit hoofdelijke aansprakelijkstelling.
De inspecteur weigerde de aftrek van deze voorziening, stellende dat de aansprakelijkheid als aandeelhouder is aanvaard en het verlies daarom niet aftrekbaar is. De rechtbank toetste dit aan jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat alleen als een onafhankelijke derde onder dezelfde voorwaarden dezelfde aansprakelijkheid zou aanvaarden tegen een niet-winstafhankelijke vergoeding, het verlies aftrekbaar kan zijn.
De rechtbank concludeerde dat geen vergoeding kon worden vastgesteld waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest de aansprakelijkheid te aanvaarden, mede vanwege het ontbreken van zekerheden en de onbepaalde duur van de aansprakelijkheid. De vergoeding die belanghebbende ontving van de bank was niet relevant. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de aftrek van de voorziening geweigerd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard en de aftrek van de voorziening voor hoofdelijke aansprakelijkheid is geweigerd.