Erflaatster overleed in 2010 en hield samen met haar echtgenoot de helft van de aandelen in een BV. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op wegens een fictieve vervreemding van aanmerkelijkbelangaandelen als gevolg van het overlijden. De rechtbank stelde vast dat sprake was van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, ondanks het betoog van belanghebbenden dat de inspecteur onvoldoende onderzoek had verricht.
De kern van het geschil betrof de hoogte van het vervreemdingsvoordeel en de vraag of dit volledig bij erflaatster belast moest worden of verdeeld moest worden met haar echtgenoot. De rechtbank oordeelde dat de pensioenverplichtingen van de BV, waaronder het nabestaanden- en wezenpensioen, tot het ondernemingsvermogen behoren en dat rekening gehouden moet worden met de waarde hiervan bij de waardering van de aandelen.
De rechtbank paste een tijdsevenredige benadering toe voor de jaarcijfers en berekende het vervreemdingsvoordeel op €132.057, waarvan de helft bij erflaatster belast moet worden, wat resulteert in een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van €66.028. De navorderingsaanslag en de heffingsrente werden dienovereenkomstig verminderd. Het beroep werd gegrond verklaard en de inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten.