Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde groothandel in alcoholische dranken, voerde in 2010 leveringen uit van accijnsgoederen binnen Nederland waarbij het nihiltarief omzetbelasting werd toegepast. De inspecteur legde een naheffingsaanslag en boete op wegens het niet voldoen aan de voorwaarden voor het nihiltarief, met name het ontbreken van een fiscaal vertegenwoordiger.
De rechtbank stelde vast dat zowel belanghebbende als haar afnemer geen fiscaal vertegenwoordiger hadden aangesteld, terwijl dit volgens de wet vereist is voor toepassing van het nihiltarief bij niet in Nederland gevestigde partijen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel werd verworpen, evenals het argument dat het koppelen van het fiscaal vertegenwoordigerschap aan het nihiltarief in strijd is met de Btw-richtlijn.
De naheffingsaanslag werd verminderd omdat niet aannemelijk was dat belanghebbende de belasting nog op de afnemer kon verhalen. De boete werd eveneens verlaagd vanwege de lagere aanslag en gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast kreeg belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wegens de lange duur van de procedure. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht werd aan belanghebbende terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, naheffingsaanslag en boete verminderd, vergoeding immateriële schade toegekend en proceskosten vergoed.