Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 18 november 2019 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin belanghebbende beroep instelde tegen diverse beslissingen van de inspecteur inzake de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm). De procedure betrof meerdere motorrijtuigen met verschillende zaaknummers, waarbij onder meer de hoogte van de verschuldigde Bpm, rentevergoedingen, griffierecht, immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten aan de orde waren.
De rechtbank verwierp de stelling van belanghebbende dat de inspecteur de bewijslast draagt voor een voordeligere berekeningsmethode van de Bpm, en oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor een lagere heffing. Wel werd in zaaknummer 18/1587 een tussentijds tarief toegepast, waardoor een teruggaaf van Bpm werd vastgesteld. Voor zaaknummer 18/2034 en 18/1587 werd belanghebbende een 30ha-rentevergoeding toegekend over de teruggaaf van Bpm.
De rechtbank kende een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toe voor overschrijding van de redelijke termijn, verdeeld tussen de inspecteur en de Minister voor Rechtsbescherming. Verzoeken om vergoeding van materiële schade werden afgewezen. Proceskosten werden deels toegewezen, waarbij voor negen samenhangende zaken een forfaitaire vergoeding van € 675 werd vastgesteld en voor zaak 18/1587 een hogere vergoeding van € 1.788. Tevens werd het griffierecht vergoed en wettelijke rente toegekend indien betalingen niet tijdig zouden plaatsvinden.
De rechtbank wees verzoeken om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie af en verwierp de stelling dat nationale rechters niet bevoegd zijn Unierecht uit te leggen. Het beroep werd voor het grootste deel ongegrond verklaard, behalve voor de rentevergoeding en proceskosten in de genoemde zaken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Beroep deels gegrond verklaard voor rentevergoeding en proceskosten, overige beroepen afgewezen, immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.