ECLI:NL:RBZWB:2021:3719
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht bij terbeschikkingstelling woning voor prostitutie
Eiser ontvangt sinds 2014 bijstand als alleenstaande. Verweerder trok de bijstand met ingang van 1 juni 2019 in en vorderde terugbetaling over de periode juni tot december 2019, vanwege vermoedens van illegale prostitutie in de woning van eiser. Na onderzoek en een hoorzitting verklaarde verweerder het bezwaar deels gegrond, maar handhaafde de intrekking over oktober 2019.
Eiser betwist dat hij zijn woning beschikbaar stelde voor prostitutie en voert aan dat een andere huurder hiervoor verantwoordelijk zou zijn geweest, die echter al in augustus 2019 was vertrokken. De rechtbank stelt vast dat eiser op 2 en 3 oktober 2019 feitelijk de enige bewoner was en dat politieverklaringen bevestigen dat prostitutieactiviteiten in zijn woning plaatsvonden. Eiser heeft de inlichtingenplicht geschonden door deze activiteiten niet te melden.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de bewijslast heeft voldaan en dat de intrekking van de bijstand over oktober 2019 terecht is. Eiser heeft geen aannemelijke tegenbewijs geleverd. De terugvordering van de onverschuldigd betaalde bijstand is eveneens gegrond, aangezien geen dringende redenen tot kwijtschelding zijn gesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de bijstand over oktober 2019 wegens schending van de inlichtingenplicht.