Eiseres ontving sinds 2015 een bijstandsuitkering en werd door het college van burgemeester en wethouders van Breda geconfronteerd met twee besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand over verschillende perioden. Het eerste besluit betrof de periode van 11 oktober 2018 tot 27 september 2019, waarbij het college de uitkering introk wegens schending van de inlichtingenplicht, met name vanwege mede-eigendom van een woonwagenstandplaats die eiseres niet had opgegeven. Het tweede besluit betrof de periode vanaf 27 september 2019, waarbij eiseres zelf tijdens een verhoor aangaf geen uitkering meer te wensen vanwege werk, wat zij later bevestigde via een Whatsapp-bericht.
Eiseres maakte bezwaar tegen beide besluiten en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op deze bezwaren. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat het college uiteindelijk alsnog besliste. De rechtbank oordeelde vervolgens inhoudelijk dat het college terecht de uitkering introk en terugvorderde wegens schending van de inlichtingenplicht, aangezien eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat de woonwagenstandplaats niet tot haar vermogen behoorde. Ook de intrekking vanaf 27 september 2019 was terecht omdat eiseres zelf had aangegeven geen uitkering meer te willen ontvangen.
De rechtbank wees de beroepen ongegrond en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten voor het niet tijdig beslissen. De uitspraak bevestigt het belang van volledige en juiste informatieverstrekking aan het college en de zorgvuldigheid bij beëindiging van bijstandsuitkeringen.