Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2002-2006. Deze verzoeken zijn afgewezen door de inspecteur van de Belastingdienst. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht op teruggaaf bestaat omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De rechtbank oordeelt dat voor de betreffende boekjaren het overgangsrecht van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 geldt, waarbij de teruggaafregeling voor fbi’s relevant is. Belanghebbende heeft echter niet ingestemd met het doen van een vervangende betaling zoals voorgeschreven door de Hoge Raad in zijn beslissing van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1674).
Hierdoor bestaat geen recht op teruggaaf van dividendbelasting en evenmin op vergoeding van rente. De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen of een andere wijze van rechtsherstel toe te passen. De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.