ECLI:NL:RBZWB:2022:2784

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 mei 2022
Publicatiedatum
23 mei 2022
Zaaknummer
AWB - 22 _ 424
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 11a Wet op de dividendbelasting 1965Artikel 8:57 AwbAfdeling 8.2.6 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken tot teruggaaf dividendbelasting voor buitenlands fonds

Belanghebbende, een buitenlands fonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2015 tot en met 2018. Het fonds stelt dat het recht heeft op teruggaaf omdat het vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) en beroept zich op het Unierecht.

De rechtbank oordeelt dat de verzoeken terecht zijn afgewezen. De Hoge Raad heeft bepaald dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de dividendbelasting. De rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken of prejudiciële vragen te stellen.

Zelfs als er sprake zou zijn van een belemmering, zou belanghebbende geen voordeel hebben omdat het rechtsherstel volgens de Hoge Raad zou plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor teruggaaf niet mogelijk is. Belanghebbende heeft ook geen drukvergelijking aangeleverd om aan te tonen dat het zwaarder wordt belast dan een vergelijkbaar Nederlands fonds.

Daarnaast is het beroep namens de participant(en) niet-ontvankelijk omdat hun identiteit niet is opgegeven en geen gronden zijn aangevoerd. De beroepen worden ongegrond verklaard en er is geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting.

Uitkomst: De rechtbank wijst de verzoeken tot teruggaaf van dividendbelasting af en verklaart het beroep namens de participant(en) niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 22/424 tot en met 22/427
uitspraak van 25 mei 2022
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats] (Schotland),
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
Zitting
Een zitting is met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Awb achterwege gebleven. De inspecteur heeft bij brief van 26 april 2022 expliciet gemeld dat hij geen gebruik maakt van het recht om op zitting te worden gehoord en belanghebbende heeft dit gedaan bij brief van 29 april 2022.

1.Motivering

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraken op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende periodes, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
  • het jaar 2015 (zaaknummer 22/424);
  • het jaar 2016 (zaaknummer 22/425);
  • het jaar 2017 (zaaknummer 22/426)
  • het jaar 2018 (zaaknummer 22/427).
Belanghebbende stelt – kort gezegd – met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi).
Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 [1] , is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering [2] van belang.
De rechtbank is van oordeel dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen, reeds gelet op het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. [3] In wat belanghebbende heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Hoge Raad, ziet de rechtbank geen aanleiding om wel teruggaaf te verlenen of prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. [4]
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs als wel sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering van het vrije verkeer van kapitaal, dit belanghebbende niet zou kunnen baten. In dat geval zou – indien belanghebbende ook overigens vergelijkbaar is met een fbi – het namelijk naar het oordeel van de rechtbank voor de hand liggen dat rechtsherstel plaatsvindt op overeenkomstige wijze zoals de Hoge Raad in zijn beslissing van 23 oktober 2020 heeft uiteengezet voor – kort gezegd – de teruggaafregeling, dus met inachtneming van een zogenoemde vervangende betaling. [5] Dit overeenkomstige rechtsherstel zou niet tot een teruggaaf kunnen leiden. Voor een fbi is de tegemoetkoming in de vorm van de afdrachtvermindering immers nimmer hoger dan het door haar af te dragen bedrag aan dividendbelasting dat zij heeft ingehouden op de door haar uitgedeelde winst. Gelet daarop zou voor een buitenlands fonds een vergelijkbare tegemoetkoming maar dan in de vorm van een teruggaaf niet hoger kunnen zijn dan de vervangende betaling die op die teruggaaf in mindering zou komen, ook niet indien de grondslag voor de vervangende betaling zou zijn beperkt tot – kort gezegd – de Nederlandse winst. Opmerking verdient daarbij dat – afgezien van de kwestie van de grondslag van de vervangende betaling – de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten aanwezig acht voor het oordeel dat sprake is van redelijke twijfel dat de door de Hoge Raad voorgeschreven wijze van rechtsherstel bij de teruggaafregeling, verenigbaar is met het Unierecht. [6]
Zo belanghebbende ook stelt – zoals de inspecteur in zijn verweerschrift meent – dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende niet zwaarder mag worden belast dan een met hem vergelijkbaar Nederlands beleggingsfonds dat is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting, faalt dit beroep reeds omdat belanghebbende geen berekening heeft aangeleverd voor deze zogenoemde drukvergelijking.
Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de behandeling van de andere klachten van belanghebbende en evenmin aan de stelling van de inspecteur dat belanghebbende een (fiscaal) transparant lichaam is.
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
De beroepen van belanghebbende zijn daarom ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Tot slot, het beroepschrift vermeldt dat het beroep ‘voor zover nodig’ mede is ingesteld namens de participant(en) in het fonds. Er is echter op geen enkele wijze beargumenteerd dat en op welke grond de participant(en) wel aanspraak zouden kunnen maken op teruggaaf van de dividendbelasting. Zo is beoogd namens de participant(en) zelfstandig beroep in te stellen, geldt bovendien dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn, aangezien tijdens de beroepstermijn de identiteit van de participant(en) niet kenbaar is gemaakt. [7] Aan de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard voor zover het bezwaarschrift is ingediend namens de participant(en), wordt daarom niet toegekomen.

2.Beslissing

De rechtbank verklaart:
  • de beroepen van belanghebbende ongegrond;
  • de beroepen niet-ontvankelijk zo ze mede zijn ingesteld namens de participant(en).
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 25 mei 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.Stb. 2007, 563.
2.Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.
4.Vgl. in verband met het laatste ook recent ECLI:NL:RBZWB:2022:1258.
5.ECLI:NL:HR:2020:1674, onderdeel 5.4.
6.ECLI:NL:RBZWB:2021:264, rov. 4.2.7 tot en met 4.2.14.
7.Vgl. ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:980 en ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2031.